ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4599

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
23 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/42870
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schending van de redelijke termijn in vreemdelingenzaken met schadevergoeding

In deze zaak heeft de rechtbank 's-Gravenhage op 23 november 2009 uitspraak gedaan in een geschil tussen een eiser van Pakistaanse nationaliteit en de staatssecretaris van Justitie. De eiser had op 24 juni 2008 een verzoek om schadevergoeding ingediend, dat door de staatssecretaris op 15 augustus 2008 was afgewezen. Na een bezwaarprocedure en een beroep bij de rechtbank, werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden. De rechtbank oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn van één jaar, twee maanden en tien dagen geheel aan de verweerder was toe te rekenen. De rechtbank baseerde haar oordeel op de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank concludeerde dat de eiser recht had op een schadevergoeding van € 1.500,- wegens immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van de eiser, die op € 644,- werden vastgesteld. De uitspraak benadrukt het belang van een eerlijke en tijdige behandeling van vreemdelingenzaken en de verantwoordelijkheden van de overheid in dit proces.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Nevenzittingsplaats Haarlem
zaaknummer: AWB 08 / 42870
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 november 2009
in de zaak van:
[eiser]
geboren op [geboortedatum], van Pakistaanse nationaliteit,
eiser,
gemachtigde: mr. drs. E. Oversier, advocaat te Hoofddorp,
tegen:
de staatssecretaris van Justitie,
verweerder,
gemachtigde: mr. W. Vrooman, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.
1. Procesverloop
1.1 Eiser heeft op 24 juni 2008 een verzoek om schadevergoeding ingediend. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 15 augustus 2008 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit op 23 september 2008 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 26 november 2008 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 4 december 2008 beroep ingesteld.
1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 1 juli 2009. Eiser is niet in persoon verschenen, maar is ter zitting vertegenwoordigd door drs. J.E. Groenenberg, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.
2.1 Het verzoek om schadevergoeding is een verzoek aan verweerder om een zuiver schadebesluit te nemen. Voor de beantwoording van de vraag of verweerder gehouden is tot schadevergoeding, dient aansluiting te worden gezocht bij het civiele recht. Voor toekenning van schadevergoeding is, gelet op hetgeen daarover is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek en de gevormde jurisprudentie, grond indien:
a. er sprake is van een daad van de overheid;
b. deze overheidsdaad onrechtmatig is, dat wil zeggen in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsnorm;
c. de onrechtmatigheid aan de overheid toe te rekenen is;
d. de geschonden norm er toe strekt het belang van de benadeelde te beschermen (relativiteitsvereiste);
e. er schade is veroorzaakt; en
f. er voldoende causaal verband bestaat tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de geleden schade.
2.2 In artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is neergelegd dat een ieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.
2.3 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiser is op onbekende datum Nederland ingereisd. Op 24 december 2002 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “het volgen van studie Ruimte- en Luchtvaart aan de T.U. Delft”. Deze aanvraag is bij besluit van 25 november 2003 afgewezen. Het hiertegen op 11 december 2003 ingediende bezwaar is bij besluit van 18 november 2004 ongegrond verklaard. Het hiertegen op 13 december 2004 ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 18 april 2006 gegrond verklaard. Bij besluit van 30 mei 2006 is het bezwaarschrift van eiser opnieuw ongegrond verklaard. Het hiertegen op 21 juni 2006 ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 2 maart 2007 gegrond verklaard. Op 14 juli 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift. Bij besluit van 21 juli 2007 is het bezwaarschrift van eiser opnieuw ongegrond verklaard door verweerder. Hiertegen heeft eiser op 25 juni 2007 beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 11 december 2007 is het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, het beroep gericht tegen het besluit op bezwaar opnieuw gegrond verklaard en het besluit op bezwaar wederom vernietigd. Bij besluit van 21 februari 2008 is het bezwaar van eiser gegrond verklaard en is aan hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend met ingang van 12 februari 2008 en geldig tot 1 september 2008. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is inmiddels verlengd tot 1 september 2009.
2.4 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, voor zover hier van belang en samengevat, op het volgende standpunt gesteld. Er is geen aanleiding voor het vergoeden van de gestelde schade, nu het gestelde niet nader is onderbouwd. De norm ‘tijdig beslissen’ is geschonden, nu het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn is afgehandeld. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op vreemdelingrechtelijke procedures. Voor zover dit artikel wel van toepassing zou zijn, leidt het niet tot een andere uitkomst. Een procedureverloop van vier jaar en twee maanden is niet zodanig lang, dat een redelijke termijn als bedoeld in dat artikel is overschreden. Reeds hierom bestaat er geen aanleiding voor vergoeding van geleden immateriële schade. Verder wordt nog opgemerkt dat een verklaring voor de duur van de procedure is te vinden in het feit dat er tot drie keer toe een gerechtelijke procedure is doorlopen, waardoor het totale procedureverloop niet als onredelijk is aan te merken. Voorts is nog van belang dat eiser eerst op 14 juni 2007 een eerste poging heeft ondernomen om de bezwaarprocedure te versnellen, toen hij beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. Indien de vreemdeling niet of eerst laat rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen, kan dit hem worden aangerekend en in mindering worden gebracht op het relevante deel van de procedure. Met gebruikmaking van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb wordt afgezien van het horen van eiser naar aanleiding van zijn bezwaarschrift.
2.5 Eiser heeft hiertegen in beroep, voor zover hier van belang en samengevat, het volgende aangevoerd. Ten onrechte stelt verweerder dat de redelijke termijn die is genoemd in artikel 6 EVRM op de onderhavige procedure niet van toepassing is. Zelfs indien dit zo zou zijn, moeten de uit artikel 6 EVRM voortvloeiende criteria bij de besluitvorming worden betrokken. Indien de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit is overschreden, is van rechtswege sprake van onrechtmatigheid. Het moment vanaf wanneer verweerder schadeplichtig is, is het moment waarop het bezwaarschrift is ingediend. Het einde van de termijn is het moment waarop een einde komt aan het materiële geschil. In het onderhavige geval is het materiële geschil nog altijd niet beslecht. De redelijke termijn is in het onderhavige geval geschonden. Dat eiser meerdere gerechtelijke procedures heeft doorlopen, is gelegen in het feit dat verweerder diverse onjuiste besluiten heeft genomen. Het beroep van verweerder op deze gerechtelijke procedures kan dan ook niet slagen. Verweerder stelt ten onrechte dat, nu eiser niet vóór 14 juni 2007 heeft geprobeerd de bezwaarprocedure te versnellen, dit in mindering kan worden gebracht op het relevante deel van de procedure. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 22 juli 2004 (gepubliceerd op migratieweb onder nummer ve04001501), waarin is overwogen dat uit de omstandigheid dat tegen het uitblijven van een beslissing geen rechtsmiddel is aangevoerd, niet volgt dat verweerder niet aansprakelijk kan worden gehouden. Ten onrechte is afgezien van het houden van een hoorzitting.
De rechtbank overweegt als volgt.
2.6 Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 3 december 2008 (JV 2009/114) ter beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is geschonden, aansluiting moet worden gezocht bij de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ten aanzien van artikel 6 EVRM, onder meer het arrest van 29 maart 2006, Pizzati tegen Italië (JB 2006/134). Uit deze jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld.
2.7 De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiser gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser, zoals ook uit de jurisprudentie van het EHRM naar voren komt, onder meer in het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk (AB 2001/86) en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië (JB 2006/134).
2.8 Ten aanzien van de redelijke termijn heeft de Afdeling, in haar uitspraak van 24 december 2008 (LJN: BG8294), overwogen dat in zaken waarbij de procedure bestaat uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar, redelijk wordt geacht. Daarbij mag, aldus de Afdeling, de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, waarbij de criteria zoals genoemd in 2.7 onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze termijnen gerechtvaardigd te achten. Uit voornoemde uitspraak volgt voorts dat, zoals ook volgt uit de jurisprudentie van het EHRM, bij de beoordeling van de redelijke termijn de duur van de procedure als geheel in aanmerking genomen moet worden en niet slechts of het (uiteindelijke) besluit op bezwaar is genomen binnen een redelijke termijn.
2.9 Gelet op voorgaande jurisprudentie neemt de rechtbank, ter beoordeling van de vraag of in casu de redelijke termijn is geschonden, het volgende in aanmerking. Op 11 december 2003 heeft eiser bezwaar aangetekend tegen verweerders besluit van 25 november 2003. Uiteindelijk is aan eiser op 21 februari 2008 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Tussen het tijdstip van indiening van het bezwaarschrift en het tijdstip van het uiteindelijke besluit op bezwaar zijn, afgerond, vier jaar en twee maanden verstreken. Uitgaande van de door de Afdeling gehanteerde criteria dient de behandeling van het bezwaarschrift door verweerder en de behandeling van het beroepschrift door de rechtbank ten hoogste drie jaar te duren. De redelijke termijn is aldus met één jaar, twee maanden en tien dagen overschreden.
2.10 Naar het oordeel van de rechtbank geven de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van eiser gedurende de hele procesgang, geen aanleiding om de overschrijding van de redelijke termijn gerechtvaardigd te achten. Anders dan verweerder merkt de rechtbank de zaak van eiser niet aan als een ingewikkelde zaak. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de kern van het geschil feitelijk slechts de vraag betrof of eiser al dan niet in Pakistan een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) zou kunnen aanvragen, dan wel dat hij zich hiertoe moest wenden tot de Nederlandse vertegenwoordiging in één van de omliggende landen. Hierbij speelt tevens een rol dat verweerders besluiten op bezwaar tot driemaal toe door de rechtbank zijn vernietigd, wegens een ontoereikende motivering en onzorgvuldig onderzoek. Uiteindelijk heeft dit ertoe geleid dat verweerder het bestreden besluit niet heeft gehandhaafd, maar tot vergunningverlening is overgegaan. De gehele behandelduur van de beroepen komt dan ook rekening van verweerder. Dit zou slechts anders zijn, indien in de beroepsprocedures bij de rechtbank sprake zou zijn van een langere behandelingsduur door de rechtbank, dan de genoemde termijn van twee jaar, per beroepsprocedure. Hiervan is echter niet gebleken. Voorts maakt het gegeven dat eiser niet vaker dan eenmaal beroep heeft ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar niet dat verweerder niet aansprakelijk gehouden kan worden voor het overschrijden van de redelijke beslistermijn. Het is immers aan verweerder om deze termijn te bewaken en in acht te nemen.
2.11 Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat eiser in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de overschrijding van de redelijke termijn van één jaar, twee maanden en tien dagen geheel aan verweerder is toe te rekenen.
2.12 Het bestreden besluit, waarin is overwogen dat aan eiser geen vergoeding wegens immateriële schade wordt toegekend kan dan ook niet in stand blijven. Het besluit komt, onder gegrondverklaring van het beroep, voor vernietiging in aanmerking.
2.13 Uitgaande van de jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de eerder aangehaalde uitspraak van 24 december 2008, dat per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden een vergoeding van € 500,- dient te worden toegekend, waarbij de overschrijding naar boven zal worden afgerond, wordt het totaal van de schadevergoeding vastgesteld op € 1.500,-. Dit bedrag dient geheel door verweerder aan eiser te worden voldaan.
2.14 Nu verweerder, met inachtneming van deze uitspraak, slechts over kan gaan tot vergoeding van de hierboven vastgestelde immateriële schade, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.
2.15 De rechtbank zal, met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).
2.16 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb, verweerder aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht vergoedt.
3. Beslissing
De rechtbank:
3.1 verklaart het beroep gegrond;
3.2 vernietigt het bestreden besluit;
3.3 bepaalt dat verweerder aan eiser dient te vergoeden de door hem geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, vastgesteld op € 1.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van gehele voldoening;
3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 644,- te betalen aan eiser in verband met het beroep;
3.6 draagt verweerder op € 145,- aan eiser te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht in verband met het beroep.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, rechter, en op 23 november 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.
Afschrift verzonden op:
Coll:
Rechtsmiddel
Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.