ECLI:NL:RBSGR:2009:BK1102

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
5 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
338887/FARK 09-4319
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41a Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot schorsing dwangmedicatie Risperdal ongegrond verklaard

Verzoeker, gedwongen opgenomen op grond van een rechterlijke machtiging, verzocht de rechtbank om de schorsing van de dwangmedicatie Risperdal. Hij ervaart ernstige bijwerkingen en wenst in plaats daarvan Aripoprazol, een middel dat hij eerder gebruikte zonder noemenswaardige bijwerkingen.

De klachtencommissie Patiënten van Parnassia had het verzoek tot schorsing reeds ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog dat dwangmedicatie alleen is toegestaan als dit strikt noodzakelijk is om gevaar voor de patiënt of anderen te voorkomen. Uit het dossier en de verklaring van de arts-assistent blijkt dat zonder Risperdal het risico op agressie en geweldsincidenten reëel is.

De rechtbank nam mee dat eerdere medicaties zoals Flupentixol en Aripoprazol onvoldoende effectief waren om agressie te voorkomen en dat sinds de overstap naar Risperdal geen geweldsincidenten meer zijn voorgevallen. De korte periode van twee weken Aripoprazol was onvoldoende om conclusies te trekken, maar de behandelend arts gaf aan dat het middel niet het gewenste effect had.

Gelet op het belang van het voorkomen van psychotische episodes en agressie achtte de rechtbank de toediening van Risperdal noodzakelijk en zag geen aanleiding tot schorsing. Het verzoek werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de dwangmedicatie Risperdal wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector familie- en jeugdrecht
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 09-4319 (P 1004231)
Datum beschikking: 5 juni 2009
Verzoek schorsing dwangmedicatie
Beschikking op het op 27 mei 2009 ingediende verzoekschrift van:
[verzoeker] (hierna te noemen: betrokkene),
verblijvende te [plaats A] (hierna te noemen: het ziekenhuis),
advocaat mr. E. Huineman-Lindt.
Procesgang
Verzoeker is in het ziekenhuis gedwongen opgenomen op grond van een rechterlijke machtiging van 15 april 2009 tot 26 maart 2010.
Verzoeker heeft op 27 maart 2009 een verzoek ingediend bij de Klachtencommissie Patiënten van Parnassia, gevestigd te 's-Gravenhage, ter verkrijging van een beslissing over een klacht ter zake van de toediening van dwangmedicatie, daaruit bestaande dat verzoeker de depotmedicatie Risperdal krijgt toegediend. De Klachtencommissie heeft bij uitspraak van 16 april 2009, verzonden op 24 april 2009, op de klacht beslist en deze ongegrond verklaard. Verzoeker heeft terzake van de ongegrondverklaring van de klacht via zijn advocaat een verzoek ex artikel 41a Wet Bopz ingediend bij de rechtbank ter verkrijging van een beslissing over zijn klacht.
Op 2 juni 2009 heeft de advocaat van verzoeker de rechtbank verzocht om, in afwachting van de behandeling van de klacht door de rechtbank, het besluit om verzoeker dwangmedicatie toe te dienen, te schorsen.
Op 5 juni 2009 is het schorsingsverzoek ter terechtzitting behandeld. Verschenen zijn: verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de arts-assistent A. Neven.
Beoordeling
De advocaat van verzoeker heeft in het verzoekschrift een aantal bezwaren naar voren gebracht. De advocaat heeft daarbij vooropgesteld dat verzoeker ernstige bijwerkingen ondervindt van Risperdal en dat verzoeker om die reden bezwaar heeft tegen de gedwongen toediening daarvan. Verzoeker wenst in plaats van Risperdal het middel Aripoprazol toegediend te krijgen, nu hij in het verleden dit middel heeft gebruikt, het goed bij hem werkte en nauwelijks bijwerkingen had. Ten aanzien van het verweerschrift en de beslissing op de klacht brengt verzoeker de volgende bezwaren naar voren. Ten eerste is er -anders dan waarvan in het verweerschrift en de beslissing op de klacht uit is gegaan- slechts sprake van één agressie-incident waarbij verzoeker per ongeluk een verpleger heeft geprikt. Voorts is het middel Aripoprazole slechts twee weken geprobeerd, waarna direct naar het middel Risperdal is overgestapt. Een periode van twee weken is evenwel te kort om daaraan conclusies te kunnen verbinden. Tenslotte heeft de advocaat naar voren gebracht dat er voldoende andere geschikte medicijnen voorhanden zijn die minder bijwerkingen hebben.
De behandelend psychiater, de heer B. van den Aakster, heeft in zijn verweerschrift aan de klachtencommissie aangegeven dat, gezien de agressie-incidenten in het verleden, verzoeker nog langdurig met Risperdal behandeld zal moeten worden.
Ook de arts-assistent heeft ter terechtzitting aangegeven dat zonder Risperdal het risico op geweldsincidenten reëel is. De arts-assistent heeft voorts verklaard dat verzoeker in ieder geval sinds 2001 bekend is met schizofrenie van het paranoïde type en dat hij
daarvoor regelmatig opgenomen. Tijdens psychotische episodes is hij herhaaldelijk agressief geweest jegens hulpverleners en weigert hij inname van orale medicatie. Aanvankelijk kreeg verzoeker een Flupentixol depot toegediend. Sinds zijn opname in augustus 2008 is verzoeker vanwege zijn agressie enige tijd gesepareerd geweest. Na te zijn overgeplaatst kreeg verzoeker het middel Aripoprazole (Abilify) toegediend, nu verzoeker last bleef houden van bijwerkingen van het Flupentixol depot en omdat hij in het verleden goede ervaringen had met Aripoprazole. Aangezien deze medicatie echter niet het gewenste effect sorteerde is na veertien dagen besloten hem te behandelen met een depot Risperdal. Sinds eind maart / begin april 2009 vertoont verzoeker een duidelijke respons en kan hij weer regulier worden verpleegd. Er zijn sinds de overstap naar Risperdal ook geen agressie-incidenten meer geweest. Echter, ook op het depot Risperdal ontwikkelt verzoeker bijwerkingen. Er is hoop dat er een juiste dosering wordt gevonden waarop de bijwerkingen verdwijnen of dragelijk worden en verzoeker vrij wordt van psychotische symptomen, aldus de arts-assistent.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat dwangbehandeling slechts is toegestaan voorzover dit volstrekt noodzakelijk is om gevaar voor de patiënt of anderen, voortvloeiend uit de stoornis van de geestvermogens, af te wenden.
Uit het verhandelde ter terechtzitting en uit het dossier blijkt dat verzoeker zonder passende medicatie agressief kan worden tijdens psychotische episodes. Voorts is uit een door de
arts-assistent overgelegde uitdraai gebleken dat verzoeker gedurende de periode dat hij Flupentixol en Aripoprazol kreeg toegediend diverse malen agressief is geworden waarbij hij vervolgens moeilijk te benaderen was en gesepareerd diende te worden. Het bezwaar van de advocaat dat het slechts om één incident gaat, wordt derhalve verworpen.
Het ziekenhuis heeft gelet op de geweldsincidenten in het verleden een groot belang bij het voorkomen van een psychotische episode van verzoeker. De vraag is vervolgens welke medicatie daarvoor het meest passend is. Gelet op de geweldsincidenten die zich hebben voorgedaan in de periode dat verzoeker Flupentixol en Aripoprazol kreeg toegediend dient te worden geconcludeerd dat deze medicijnen de agressie van verzoeker onvoldoende hebben kunnen tegengaan. Het middel Risperdal is terzake wel effectief, hetgeen blijkt uit het feit dat zich sedert de overstap op Risperdal geen geweldsincidenten meer hebben voorgedaan.
Het betoog van de advocaat dat het medicijn Aripoprazole te kort is toegediend om aan te kunnen nemen dat het niet werkt, treft geen doel. Zowel de arts-assistent ter terechtzitting als de behandelend psychiater in zijn verweerschrift aan de klachtencommissie hebben aangegeven dat het in de twee weken dat het betreffende medicijn is toegediend bij verzoeker zo slecht met hem ging, dat zij zich genoodzaakt zagen de toediening van het medicijn af te breken. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaringen.
De rechtbank acht het gelet op de verklaring van de arts-assistent ter terechtzitting voorts voldoende aannemelijk dat er thans geen andere medicijnen beschikbaar zijn waar betrokkene baat bij kan hebben en die minder bijwerkingen hebben. Naar de arts-assistent heeft verklaard is Risperdal het enige moderne anti-psychoticum en hebben andere anti-psychotica dan Risperdal vaak bijwerkingen die minstens even ernstig zijn als de bijwerkingen die verzoeker nu ondervindt. Daarnaast moet het medicijn in depotvorm worden toegediend nu orale inname niet te controleren is.
Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat toediening van Risperdal volstrekt noodzakelijk is om gevaar voor de patiënt of voor anderen af te wenden.
Gezien het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om - in afwachting van de behandeling van de klacht door de meervoudige kamer van deze rechtbank - de dwangbehandeling in de vorm van depotmedicatie Risperdal te schorsen. Derhalve zal worden beslist als na te melden.
Beslissing:
verklaart het verzoek tot schorsing van de dwangmedicatie ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B. Meijer, bijgestaan door mr. Y.D. David als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.