ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ9555
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing maatregel vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
De vreemdeling verbleef bijna zes maanden in vreemdelingenbewaring en stelde dat de voortzetting van deze maatregel onrechtmatig was omdat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn. Dit vanwege het hoger beroep dat verweerder had ingesteld tegen een eerdere uitspraak waarin de ongewenstverklaring was vernietigd, en de onzekerheid over de termijn waarbinnen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) uitspraak zou doen.
Verweerder stelde dat er sprake was van een tijdelijke belemmering en dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestond. Ook voerde verweerder aan dat de belangen van de staat zwaarder wogen vanwege de ongewenstverklaring, criminele antecedenten en frustrerende houding van de vreemdeling.
De rechtbank overwoog dat het ongewis was wanneer de tijdelijke belemmering zou worden opgeheven en dat daardoor geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestond. Gezien de omstandigheden was de voortzetting van de bewaring onrechtmatig. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval opheffing van de maatregel, wees het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde verweerder in de proceskosten.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.