ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ9276
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende bescherming tegen eerwraak in Koerdische regio Irak
Verzoekster, afkomstig uit Irak, vreesde vervolging door een oom van vaderszijde vanwege een eerwraakkwestie en vroeg een verblijfsvergunning asiel aan. Na afwijzing van haar aanvraag stelde zij beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening tegen uitzetting.
De rechtbank oordeelde dat verzoekster weliswaar een geloofwaardig relaas had over de dreiging, maar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de staat of andere partijen in Noord-Irak haar geen bescherming konden bieden. Uit rapporten bleek dat in de Koerdische regio opvang en bescherming voor vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld, waaronder eerwraak, aanwezig is.
Ook werd geoordeeld dat er geen sprake was van een gewapend conflict in de provincie Sulaymaniya waar verzoekster verbleef, zodat de uitzonderingsgrond van artikel 15c van de Definitierichtlijn niet van toepassing was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep op verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van het ontbreken van bescherming tegen eerwraak in Noord-Irak.