ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4224

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
9 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
329324 / HA RK 09-33
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • B.C. Punt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WTBZArt. 3 lid 3 WTBZArt. 217 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van vaststelling vastrecht bij verzoek tot tussenkomst zonder motieverschil

In deze civiele procedure heeft de besloten vennootschap verzoekster verzet ingesteld tegen de vaststelling van het griffierecht door de griffier. Verzoekster was tussenkomende partij geworden in een procedure tussen Bever Holding en andere partijen en voerde aan dat haar tussenkomst uitsluitend was gericht op het voorkomen van voeging en dat daarom geen of een lager vastrecht verschuldigd zou moeten zijn.

De rechtbank overweegt dat volgens artikel 3, lid 3, van de Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken (WTBZ) een vordering tot voeging of tussenkomst wordt beschouwd als het aanvangen van een nieuw geding, waarvoor een gelijk bedrag aan vastrecht geldt als in het oorspronkelijke geding. Het motief van de partij die intervenieert is daarbij niet relevant voor de hoogte van het vastrecht.

De rechtbank concludeert dat de griffier terecht het volledige vastrecht van €4.784 heeft vastgesteld en verklaart het verzet ongegrond. De beslissing werd uitgesproken op 9 april 2009 door rechter B.C. Punt.

Uitkomst: Het verzet tegen de vaststelling van het volledige vastrecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector civiel recht
JKL
zaaknummer / rekestnummer: 329324 / HA RK 09-33
Beschikking van 9 april 2009
in de zaak van:
de besloten vennootschap
[verzoekster]
gevestigd te [plaats],
verzoekster,
advocaat: mr. R.H. van de Beeten,
t e g e n:
DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK 's-GRAVENHAGE,
vertegenwoordigd door mr. M.L. Harmsen,
verweerder.
Partijen worden hierna aangeduid met "[verzoekster]" en "de Griffier".
1. Het procesverloop:
1.1[verzoekster] heeft op 10 oktober 2008 een verzetschrift op grond van artikel 25 Wet Pro Tarieven in Burgerlijke Zaken (WTBZ) ingediend. De Griffier heeft op 26 februari 2009 een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben te kennen gegeven af te zien van een mondelinge behandeling.
2. De beoordeling
2.1 Bij deze rechtbank is een procedure onder rolnummer 08/2899 aanhangig tussen N.V. Bever Holding (verder te noemen: Bever Holding) als eiseres en Ontwikkeling Regiobouw Haarlemmermeer B.V. en Holding Regiobouw Haarlemmermeer B.V. als gedaagden. Bever Holding heeft in die procedure de voeging verzocht met de bij deze rechtbank onder rolnummer 07/1995 aanhangige procedure, waarin [verzoekster] één van de gedaagden is.
2.2 Bij incidentele conclusie tot voeging en tussenkomst van 10 september 2008 heeft [verzoekster] in de zaak met rolnummer 08/2899 verzocht te worden toegelaten als gevoegde en tussenkomende partij. In deze conclusie heeft [verzoekster] aangegeven zich na de beslissing over de gevraagde voeging weer uit de procedure terug te trekken door ten aanzien van haarzelf schrapping te verzoeken.
2.3 De griffier heeft het door [verzoekster] verschuldigde griffierecht vastgesteld op een bedrag van € 4.784,--. Dit bedrag is op 21 oktober 2008 voldaan.
2.4 [verzoekster] voert aan dat de tussenkomst en voeging er uitsluitend op gericht is geweest de door Bever Holding gewenste voeging te voorkomen. Aangezien de interventie uitsluitend processuele betekenis heeft is [verzoekster] primair van mening dat aan haar geen enkel vastrecht moet worden opgelegd. Subsidiair meent zij dat aan haar een bedrag van maximaal € 254,-- in rekening kan worden gebracht.
2.5 De rechtbank overweegt het volgende.
2.6 Artikel 3, lid 3, WTBZ bepaalt dat de vordering tot voeging of tussenkomst, als bedoeld in artikel 217 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, voor de partij die de vordering doet, geldt als het aanvangen van een nieuw geding. Voor een zodanige vordering is een gelijk bedrag aan vast recht verschuldigd als voor de vordering in het oorspronkelijk geding. In dat geding is een griffierecht in rekening gebracht van € 4.784,--. Het moge zo zijn dat [verzoekster] het middel van tussenkomst uitsluitend heeft gebruikt om de door Bever Holding gevraagde voeging te voorkomen en ook dat [verzoekster] al direct kenbaar heeft gemaakt dat zij zich ná de beslissing op het incident weer uit de procedure zou terugtrekken, dit alles betreft enkel het motief van [verzoekster] om te interveniëren.
2.7 Uit de WTBZ valt echter niet af te leiden dat er met betrekking tot incidentele vorderingen tot voeging of tussenkomst voor wat betreft de hoogte van het verschuldigde vast recht een onderscheid gemaakt moet worden naar gelang van het motief van degene die heeft geïntervenieerd. Een dergelijke inhoudelijke differentiëring ligt bij de onderhavige materie ook geenszins voor de hand: het wettelijk systeem houdt immers in dat het griffierecht c.q. vastrecht kan worden vastgesteld aan de hand van betrekkelijk formele, uiterlijke kenmerken. De griffier heeft daarom, gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 3, WTBZ terecht een gelijk bedrag aan vast recht in rekening gebracht als in het oorspronkelijke geding.
2.8 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzet ongegrond dient te worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. B.C. Punt en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.