ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ0862
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting van bewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting
Eiser is op 9 maart 2009 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij het traject van zijn uitzetting, mede vanwege onduidelijkheid over zijn nationaliteit en het frauduleuze karakter van zijn paspoort. De Jamaicaanse autoriteiten hebben in 2005 een poging tot uitzetting gedaan, maar het paspoort werd toen ingenomen wegens vermoedens van fraude. In 2009 werd een lp-traject gestart bij zowel Jamaica als Liberia.
De rechtbank oordeelt dat verweerder pas op 29 mei 2009 de lp-aanvraag aan Liberia heeft doorgezonden, terwijl de Jamaicaanse autoriteiten al op 25 maart 2009 vermoedens hadden over eisers Liberiaanse afkomst, die op 20 april 2009 werden verduidelijkt. Dit betekent dat vanaf 21 april 2009 onvoldoende voortvarend is gehandeld, waardoor de bewaring onrechtmatig is voortgezet.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt onmiddellijke opheffing van de bewaring en kent een schadevergoeding toe van € 80 per dag vanaf 29 april 2009 tot de datum van uitspraak, totaal € 4.560. Tevens worden de proceskosten van € 644 aan eiser toegewezen. Verweerder wordt veroordeeld deze bedragen te betalen.
Uitkomst: Bewaring onrechtmatig voortgezet vanaf 21 april 2009, onmiddellijke opheffing en schadevergoeding toegekend.