ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ0317
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Internationale kinderontvoering en teruggeleidingsverzoek volgens het Haagse Verdrag
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde een verzoek tot teruggeleiding van een minderjarige die op 11 november 2007 zonder toestemming van de vader naar Nederland werd overgebracht. De vader had exclusief gezag en de gewone verblijfplaats van het kind was Portugal. De moeder voerde aan dat de vader instemde met het verblijf in Nederland en dat het kind inmiddels geworteld zou zijn, maar dit werd verworpen omdat het verzoek binnen één jaar na overbrenging was ingediend.
De rechtbank onderzocht de echtheid van de handtekening van de moeder op de overeenkomst waarbij het gezag aan de vader werd overgedragen, maar kon dit niet vaststellen vanwege het ontbreken van originele stukken en het verzet van partijen tegen onderzoek door een Portugese deskundige. Daarom werd de homologatie van de Portugese rechter erkend.
De moeder beriep zich op verschillende weigeringsgronden uit artikel 13 van Pro het Haagse Verdrag, waaronder instemming van de vader en het risico van lichamelijk of geestelijk gevaar bij terugkeer. De rechtbank verwierp het beroep op instemming en op het verzet van het kind wegens onvoldoende leeftijd en rijpheid. Voor de weigeringsgrond van ernstig risico op gevaar werd nadere informatie verlangd en een nieuwe zitting vastgesteld.
De rechtbank concludeerde dat de overbrenging in strijd was met het gezagsrecht van de vader en dat de onmiddellijke terugkeer van het kind moest worden bevolen, tenzij een weigeringsgrond van toepassing is. De behandeling van het verzoek werd aangehouden voor nadere beoordeling van de risicogrond.
Uitkomst: De rechtbank beveelt onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Portugal, tenzij een weigeringsgrond van het Haagse Verdrag van toepassing is.