ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8783
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Grensdetentie in strijd met wet wegens onvoldoende voortvarendheid bij vertrekplicht
Eiser, een persoon van Zimbabwaanse nationaliteit, verbleef in grensdetentie op grond van artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank behandelde een beroep tegen de voortzetting van deze vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank stelde vast dat zowel eiser als de overheid een rol hebben bij het realiseren van het vertrek uit Nederland: eiser moet actief meewerken, terwijl de overheid met due diligence aan het vertrek moet werken.
De rechtbank volgde niet de eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar baseerde zich op uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) die vereisen dat detentie onder artikel 5 lid 1 sub f EVRM Pro alleen gerechtvaardigd is zolang de uitzettingsprocedure met voortvarendheid wordt uitgevoerd. In casu had de overheid na intrekking van de asielprocedure op 16 april 2009 een maand gewacht met het plannen van een vertrekgesprek, wat te lang werd geacht; drie weken was redelijker geweest.
De rechtbank oordeelde daarom dat de grensdetentie vanaf 7 mei 2009 onrechtmatig was en niet gerechtvaardigd kon worden geacht. Gezien het feit dat eiser zelf ook geen pogingen had ondernomen om aan zijn vertrekplicht te voldoen, matigde de rechtbank de schadevergoeding tot 50% van het bedrag van €80 per dag voor twaalf dagen, totaal €480.
Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, begroot op €644. De detentie werd per direct opgeheven en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de grensdetentie onrechtmatig is wegens onvoldoende voortvarendheid bij vertrek en beveelt opheffing en schadevergoeding.