ECLI:NL:RBSGR:2009:BI7753
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.A.C. van Rossum
- M.I. Veldt-Foglia
- G.A.M. Strijards
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid uitlevering wegens oorlogsmisdrijf tegen krijgsgevangene aan Bosnië en Herzegovina
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde het verzoek van Bosnië en Herzegovina tot uitlevering van een persoon verdacht van het opzettelijk doden van een krijgsgevangene tijdens het conflict in 1993. De feiten betreffen het schenden van het gemeenschappelijk artikel 3 van Pro de Verdragen van Genève, strafbaar gesteld in zowel het Bosnische als Nederlandse recht.
De verdediging voerde aan dat de identiteit van de opgeëiste persoon niet voldoende vaststond en dat het uitleveringsverzoek niet binnen een redelijke termijn was behandeld, wat een schending van artikel 6 EVRM Pro zou betekenen. De rechtbank verwierp deze verweren, stellende dat de identiteit voldoende was vastgesteld en dat het EVRM geen directe toepassing vindt op de uitleveringsprocedure zelf.
Verder oordeelde de rechtbank dat het feitencomplex naar Nederlands recht strafbaar is en dat de uitlevering toelaatbaar is. De rechtbank benadrukte dat de beoordeling van een eerlijk proces en eventuele garanties omtrent detentie en strafuitvoering aan de Bosnische strafrechter en de Nederlandse minister van justitie zijn voorbehouden.
De uitlevering werd derhalve toegestaan, waarbij de rechtbank tevens het vertrouwen uitsprak dat Bosnië en Herzegovina de rechten van de opgeëiste persoon zal respecteren, mede gelet op het feit dat Bosnië en Herzegovina het EVRM heeft geratificeerd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Bosnië en Herzegovina toelaatbaar voor vervolging wegens oorlogsmisdrijf.