ECLI:NL:RBSGR:2009:BI7082
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.A. Poppe-Gielesen
- A. van ’t Laar
- J. van den Bos
- Rechtspraak.nl
Ongegronde intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring wegens artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Eiser, een Afghaanse nationaliteit dragende vreemdeling, kreeg in 1998 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft in 2007 de vergunning ingetrokken en eiser ongewenst verklaard wegens ernstige vermoedens van betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven volgens artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht tot ongewenstverklaring is gekomen en of de belangenafweging, met name ten aanzien van het recht op familie- en gezinsleven, zorgvuldig is gemaakt. Verweerder baseert zich op verklaringen en ambtsberichten die wijzen op betrokkenheid van eiser bij foltering en andere ernstige misdrijven tijdens zijn functie als officier van justitie in Afghanistan.
Eiser betwist de beschuldigingen en wijst op tegenstrijdigheden in zijn verklaringen en het late tijdstip van het onderzoek naar artikel 1F. De rechtbank oordeelt dat verweerder niet zonder nadere motivering tot de conclusie kon komen dat sprake is van een gerechtvaardigde inmenging in het familie- en gezinsleven, mede omdat het onderzoek pas jaren na de naturalisatieaanvraag is gestart.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, verklaart het beroep gegrond en treft een voorlopige voorziening waardoor eiser niet mag worden uitgezet tot vier weken na beslissing op bezwaar. Tevens veroordeelt zij verweerder in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek.