ECLI:NL:RBSGR:2009:BI6164
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L. de Loor-Alwin
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over tot 2001 gerijpte rente op onderbedelingsvordering bij nalatenschap
Eisers vader overleed in 1971 en liet een onderbedelingsvordering na op zijn moeder, die in 2005 overleed. De vordering droeg een enkelvoudige rente van 7% per jaar, jaarlijks bijgeschreven. Na het overlijden van zijn moeder eiste eiser de vordering op, inclusief €23.136 rente die tot 1 januari 2001 was gerijpt.
De Belastingdienst belastte dit bedrag in het inkomen uit werk en woning op grond van onderdeel AKa van de Invoeringswet Wet IB 2001. Eiser betwistte dit en stelde dat de uitzondering in onderdeel AKa, derde lid, juncto onderdeel AK, vierde lid, van toepassing zou moeten zijn, waardoor belastingheffing achterwege zou blijven.
De rechtbank oordeelde dat deze uitzondering niet van toepassing is omdat niet aan de voorwaarden is voldaan, met name dat de rente pas na overlijden van de schuldenaar door verrekening met de corresponderende schuld in aanmerking moet worden genomen. De wetgever heeft bewust gekozen deze uitzondering beperkt toe te passen.
Verder oordeelde de rechtbank dat de belastingheffing niet onredelijk is en dat de rechter niet bevoegd is om de redelijkheid van de wetgever te toetsen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de belastingheffing over €23.136 rente op de onderbedelingsvordering wordt ongegrond verklaard.