ECLI:NL:RBSGR:2009:BI4399
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring wegens onvoldoende strafmaatvergelijking
Eiser, van Sierra Leoonse nationaliteit, werd bij besluit van 19 juni 2008 geconfronteerd met de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, met terugwerkende kracht tot 31 januari 2004, en een ongewenstverklaring. Dit volgde op een Duitse veroordeling tot 2,5 jaar gevangenisstraf voor cocaïnehandel. Verweerder vroeg het Openbaar Ministerie (OM) om advies over de straf die in Nederland geëist zou worden als het misdrijf daar was gepleegd. Het OM gaf aan dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar geëist zou worden.
De rechtbank oordeelt dat het advies van het OM niet voldoet aan de vereisten van artikel 3.86, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, omdat het slechts inzicht geeft in de geëiste straf en niet in de daadwerkelijk opgelegde straf. Hierdoor is niet vastgesteld dat eiser in Nederland een gevangenisstraf van ten minste 1 jaar zou zijn opgelegd. Dit betekent dat de intrekking van de verblijfsvergunning en de ongewenstverklaring niet rechtsgeldig zijn.
Daarnaast vernietigt de rechtbank het besluit tot afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, aangezien het rechtmatig verblijf van eiser door de intrekking met terugwerkende kracht is beëindigd. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank inmiddels op het beroep heeft beslist.
De rechtbank veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Verweerder krijgt een termijn van acht weken om nieuwe besluiten te nemen in overeenstemming met deze uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten tot intrekking van de verblijfsvergunning, ongewenstverklaring en afwijzing verblijfsvergunning asiel en wijst het beroep toe.