ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2785
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in het kader van de pardonregeling
Verzoeker, een Bosnische vreemdeling die sinds 1998 in Nederland verblijft, maakte bezwaar tegen de ambtshalve weigering van een verblijfsvergunning op grond van de pardonregeling. Verweerder stelde dat bij de beoordeling van de pardonregeling niet wordt getoetst aan artikel 8 EVRM Pro, hetgeen door de voorzieningenrechter werd bevestigd. De toetsing aan artikel 8 EVRM Pro vindt plaats bij een aanvraag voor verblijf bij gezinsleden, niet bij de pardonregeling.
De voorzieningenrechter overwoog dat het beleid omtrent de pardonregeling niet voorziet in toetsing aan artikel 8 EVRM Pro, maar dat verweerder wel moet beoordelen of toepassing van het beleid in het concrete geval onevenredig is volgens artikel 4:84 Awb Pro. Omdat verweerder niet binnen de gestelde termijn een nieuw besluit had genomen en de schorsende werking van het bezwaar werd ontkend, woog het belang van verzoeker om in Nederland te blijven zwaarder dan het belang van verweerder bij uitzetting.
De voorzieningenrechter besloot daarom het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen, waardoor uitzetting werd verboden totdat op het bezwaar is beslist. Tevens werden proceskosten aan verweerder opgelegd en werd de Staat der Nederlanden aangewezen als de partij die deze kosten moet vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoeker wordt verboden totdat op het bezwaar is beslist.