ECLI:NL:RBSGR:2009:BH6195
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens motiveringsgebrek en beoordeling subsidiaire bescherming Noord-Irak
Eiser, afkomstig uit de provincie Duhok in Noord-Irak en behorend tot de Koerdische bevolkingsgroep, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Verweerder wees dit verzoek af op grond van het ontbreken van voldoende bewijs voor een verblijfsgrond en het ontbreken van reis- en identiteitsdocumenten die niet aan eiser konden worden toegerekend.
Eiser voerde onder meer aan dat de situatie in Noord-Irak verslechterd was en dat hij bescherming behoefde op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, dat bescherming biedt bij ernstige en individuele bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De rechtbank oordeelde dat dit artikel een andere beschermingsgrond biedt dan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 en dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.
De rechtbank stelde vast dat er geen sprake was van een binnenlands gewapend conflict in de provincie Duhok, zoals gedefinieerd door de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS). Hoewel de veiligheidssituatie in Noord-Irak gespannen en onvoorspelbaar is, was deze stabieler dan in andere delen van Irak en waren lokale veiligheidsorganisaties effectief.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelde zij verweerder in de proceskosten van eiser. De rechtbank oordeelde dat verweerder in redelijkheid geen categoriale bescherming hoefde te bieden aan asielzoekers uit Noord-Irak op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.