ECLI:NL:RBSGR:2009:BH5103

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
18 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09/102 BESLU
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:84 AwbArt. 8:67 AwbArt. 11 Monumentenwet 1988Art. 16 Monumentenwet 1988Art. 54 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing opschorting vergunning Monumentenwet voor legalisering uitgevoerde wijzigingen

Verzoekster, een B.V., had een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 gekregen voor het wijzigen van panden die beschermd zijn als monument. Tegen deze vergunning was beroep ingesteld door belanghebbenden, waardoor de vergunning automatisch werd geschorst. Verzoekster vroeg om opheffing van deze opschorting.

De voorzieningenrechter overwoog dat de wijzigingen ondergeschikt zijn, zoals het wijzigen van een raam in een deur, het doorbreken van een binnenmuur en het aanbrengen van een brandtrap. Deze werkzaamheden beïnvloeden de monumentale aspecten niet en zijn al geruime tijd uitgevoerd. De vergunning dient slechts ter legalisering van deze veranderingen.

Daarom bestaat geen vrees voor onherstelbare schade aan het monument door het gebruik van de vergunning. Ook de ontvankelijkheid van het beroep en de inhoudelijke beroepsgronden kunnen in de bodemprocedure worden behandeld. De voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen, waardoor de opschorting van de vergunning wordt opgeheven.

Uitkomst: De opschorting van de vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 wordt opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
eerste afdeling, voorzieningenrechter
Reg.nr.: AWB 09/102 BESLU
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:84 juncto Pro artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening van
[A] B.V., gevestigd te [plaats], verzoekster,
ten aanzien van het besluit van 23 september 2008 van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Derde partij: [B] en [C], wonende te [plaats], belanghebbenden.
Overwegingen
Bij besluit van 23 september 2008 heeft verweerder aan verzoekster een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 verleend ten behoeve van het wijzigen van het beschermde monument [adres] te [plaats], kadastraal bekend [nummer].
Tegen dit besluit is door de derde partij bij brief van 3 november 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 5 januari 2009 hebben burgemeester en wethouders van Den Haag aan verzoekster bericht dat de aanhouding van de beslissing op de aanvraag om een bouwvergunning als gevolg van het ingestelde beroep tegen de monumentenvergunning voortduurt.
Bij brief van 6 januari 2009 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 16, zesde lid, van de Monumentenwet 1998, inhoudende het opheffen van de schorsende werking van het beroep.
Dit verzoek is behandeld ter openbare zitting van de voorzieningenrechter op 18 februari 2009, waarbij namens verzoekster zijn verschenen mr. R.J. Colenbrander, advocaat te Amsterdam, en [D]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [E], terwijl namens de derde partij mr. J. Geelhoed, advocaat te Den Haag is verschenen.
De voorzieningenrechter heeft ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan en het verzoek om opheffing van de opschorting van de vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 ingewilligd op grond van de volgende overwegingen.
In de regel heeft het instellen van beroep tegen een besluit geen schorsende werking, en dient een voorlopige voorziening te worden gevraagd ten einde te bewerkstelligen dat hangende de beroepsprocedure geen uitvoering wordt gegeven aan het besluit. Het instellen van beroep tegen een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 heeft echter ingevolge artikel 16, zesde lid, van die wet wel automatisch schorsende werking. Wel kan de vergunninghouder om opheffing van de opschorting verzoeken. De bedoeling van deze afwijkende regeling is om te verhinderen dat als gevolg van het gebruik maken van een vergunning voor het veranderen van een beschermd monument onherstelbare schade aan dat monument wordt toegebracht voordat door de rechter een uitspraak is gedaan over de rechtmatigheid van de verleende vergunning. De voorzieningenrechter dient in een dergelijk geval doorgaans een voorlopige inschatting te maken van de kans van slagen van het beroep.
Uit de stukken blijkt dat in dit geval vergunning is verleend voor een aantal ondergeschikte wijzigingen aan de panden, te weten (in elk geval) het wijzigen van een raam aan de achterzijde in een toegangsdeur, het doorbreken van een binnenmuur en (mogelijk ook) het aanbrengen van een brandtrap aan de achterzijde, althans het gedeelte van die trap dat nog niet bij eerdere vergunningverlening was meegenomen. Deze werkzaamheden hebben geen invloed op de monumentale aspecten van de panden. Verder staat vast dat al deze werkzaamheden al geruime tijd geleden zijn uitgevoerd en dat de thans in geding zijnde vergunning uitsluitend strekt tot legalisering van die veranderingen. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat er in dit specifieke geval geen aanleiding kan zijn voor vrees dat het gebruik maken van de vergunning tot onherstelbare schade aan het monument leidt.
Door verzoekster zijn kanttekeningen geplaatst bij de ontvankelijkheid van het ingestelde beroep tegen de monumentenvergunning. Verder stelt zij dat de ingediende beroepsgronden geen doel treffen, omdat deze uitsluitend zien op het gebruik van de panden voor onderwijsdoeleinden. Een en ander kan in de bodemprocedure in volle omvang aan de orde komen. Hetzelfde geldt voor de vraag die partijen met name verdeeld houdt, namelijk of alsnog bouwvergunning met vrijstelling kan worden verleend voor het gebruik maken van deze panden door verzoekster.
De voorzieningenrechter ziet in het vorenstaande voldoende aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat het verweerder vervolgens vrijstaat om te beslissen over de ingediende aanvraag om bouwvergunning, nu de aanhouding daarvan ingevolge artikel 54, tweede lid, van de Woningwet eindigt. Aldus wordt een verdere nodeloze vertraging van de procedure voorkomen. Anders dan door de derde partij is aangevoerd wordt door inwilliging van het verzoek om voorlopige voorziening niet de rechtbankprocedure over het verzoek om handhavend optreden tegen het gebruik van de panden voor onderwijsdoeleinden doorkruist. In die procedure, waarin één dezer dagen uitspraak wordt gedaan, is immers uitsluitend de vraag aan de orde of verweerder, uitgaande van de feiten en omstandigheden ten tijde van het bestreden besluit in die zaak, terecht van handhavend optreden heeft afgezien. De nu te treffen voorlopige voorziening staat daar los van.
De voorzieningenrechter heeft in dit geval geen aanleiding gezien om één der partijen te veroordelen in de door een andere partij gemaakte proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
treft de voorlopige voorziening dat de opschorting van de werking van de aan verzoekster verleende vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 wordt opgeheven.
Aldus gegeven door mr. C.J. Waterbolk, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2009 in tegenwoordigheid van de griffier J.M. Lo A Njoe.