ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3762
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte liquidatie wegens onvoldoende bewijs ondanks anonieme getuige
Op 20 december 1993 werd [slachtoffer] geliquideerd in Amsterdam. Verdachte en medeverdachte werden ervan verdacht betrokken te zijn bij deze liquidatie, waarbij verdachte mogelijk de schutter was die in opdracht van medeverdachte handelde. Het Openbaar Ministerie baseerde haar bewijs vooral op de verklaring van een bedreigde anonieme getuige (X10), die een cruciale verbinding legde tussen verdachte, medeverdachte en de liquidatie.
De rechtbank beoordeelde de bewijskracht van deze anonieme getuige kritisch. Hoewel de rechter-commissaris de getuige betrouwbaar achtte, was de verklaring van horen zeggen en ontbrak inzicht in de achterliggende bron, waardoor de bewijswaarde beperkt was. Daarnaast waren de overige bewijsmiddelen, zoals signalementen van de schutter en verklaringen over woonplaatsen van verdachte, onvoldoende concreet en lieten ruimte voor alternatieve scenario's.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs in zijn totaliteit niet overtuigend genoeg was om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte betrokken was bij de moord. De motieven en verklaringen van medeverdachte boden ook geen duidelijke aanwijzingen voor betrokkenheid. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.
Deze uitspraak benadrukt het belang van voldoende en samenhangend bewijs, zeker wanneer anonieme getuigen verklaren, en bevestigt de jurisprudentie dat bewijs niet uitsluitend op anonieme getuigen mag rusten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.