ECLI:NL:RBSGR:2008:BI8782
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond wegens voortduren ongewenstverklaring en geen rechtmatig verblijf
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder stelde dat eiser geen belang heeft bij de beoordeling van het beroep omdat hij ongewenst is verklaard en daardoor geen rechtmatig verblijf kan hebben. Eerder was een beroep tegen de ongewenstverklaring ongegrond verklaard.
Eiser voerde aan dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van humanitaire redenen en dat zijn verzoeken om opheffing van de ongewenstverklaring en toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 nog in behandeling zijn, waardoor hij geacht moet worden rechtmatig verblijf te hebben.
De rechtbank oordeelt dat op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State artikel 67, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bepaalt dat zolang de ongewenstverklaring voortduurt, de vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben. Het indienen van verzoeken om opheffing of toepassing van artikel 64 leidt Pro niet tot een ander oordeel. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
De rechtbank wijst erop dat indien de ongewenstverklaring wordt opgeheven, eiser een nieuw verzoek kan indienen of de minister kan verzoeken een eerdere beslissing te heroverwegen. Het beroep kan tegen deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen belang heeft zolang de ongewenstverklaring voortduurt.