ECLI:NL:RBSGR:2008:BG8886
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- L. de Loor-Alwin
- J.M. Vink
- A. Zonneveld
- Rechtspraak.nl
Premieplicht volksverzekeringen voor Rijnvarende matroos op binnenvaartschip
Eiser was in 2004 als matroos werkzaam op een binnenvaartschip dat in de Rijnvaart voer. Hij was in dienst van twee werkgevers, waarvan de laatste gevestigd was in het buitenland en hij betaalde daar sociale zekerheidspremies. Eiser voerde aan dat hij op grond van het Verdrag rijnvarenden en een verklaring E-106 onder de buitenlandse sociale zekerheidswetgeving viel en daarom niet premieplichtig was in Nederland.
De rechtbank stelde vast dat het schip eigendom was van een Nederlandse eigenaar en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat het schip in de zin van het Verdrag rijnvarenden tot de buitenlandse onderneming behoorde. De rechtbank achtte de verklaring E-106 en het standpunt van de Sociale Verzekeringsbank niet bindend voor de inspecteur.
De rechtbank overwoog dat de sociale verzekeringsplicht moest worden vastgesteld op grond van artikel 11 van Pro het Verdrag rijnvarenden en dat eiser de bewijslast droeg om aan te tonen dat het schip tot de buitenlandse exploitant behoorde. Dit was niet gelukt. De rechtbank concludeerde dat de eigenaar als exploitant moest worden aangemerkt en dat eiser daarom premieplichtig was in Nederland.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kon hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de premieplicht van eiser in Nederland.