ECLI:NL:RBSGR:2008:BG4418
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring en rechtmatig verblijf op grond van vestigingsvergunning
Eiser, van Tunesische nationaliteit, werd in 2006 ongewenst verklaard en werd zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor wedertoelating afgewezen. De kern van het geschil was of eiser op het moment van de ongewenstverklaring rechtmatig verblijf had in Nederland.
De rechtbank stelde vast dat het eerdere besluit uit 1987 tot ongewenstverklaring en intrekking van de vergunning niet rechtsgeldig was bekendgemaakt en daardoor geen rechtsgevolg had. Verder oordeelde de rechtbank dat eiser nog steeds rechtmatig verblijf had op grond van een eerder verleende vergunning tot vestiging, die met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 was omgezet in een vergunning voor onbepaalde tijd.
Verweerder kon niet aantonen dat de vergunning van eiser rechtsgeldig was vervallen, onder meer omdat detentie in het buitenland niet automatisch het hoofdverblijf buiten Nederland betekent. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, waarbij tevens de aanvraag om een verblijfsvergunning werd afgewezen wegens gebrek aan belang.
Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de ongewenstverklaring en weigering van de verblijfsvergunning en oordeelt dat eiser rechtmatig verblijf heeft.