ECLI:NL:RBSGR:2008:BF8934
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens overschrijding spoedige rechterlijke toetsing
Eiser werd op 4 mei 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. Na meerdere ongegronde beroepen tegen voortduring van de maatregel, stelde eiser op 15 september 2008 beroep in tegen de voortzetting van de bewaring en vorderde opheffing en schadevergoeding. De rechtbank sloot het vooronderzoek op 23 september 2008 en bepaalde dat de zitting achterwege bleef.
De rechtbank constateerde dat zij de uitspraak niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zeven dagen na sluiting van het onderzoek had gedaan, waardoor de termijn uit artikel 96 lid 2 Vreemdelingenwet Pro 2000 werd overschreden. Dit leidde tot een ambtshalve toetsing of ook artikel 5 lid 4 EVRM Pro, dat een spoedige rechterlijke toetsing vereist, was geschonden.
De rechtbank oordeelde dat de periode van 16 dagen tussen het indienen van het beroep en de uitspraak geen spoedige beoordeling vormde, mede gelet op de relatief overzichtelijke aard van de zaak en het ontbreken van nadelige invloeden door eiser of zijn gemachtigde. Hierdoor werd de voortzetting van de bewaring onrechtmatig verklaard.
De rechtbank beval de onmiddellijke opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel per 1 oktober 2008, kende een schadevergoeding toe van €80 per dag vanaf 30 september 2008 (in totaal €160) en veroordeelde de Staat tot betaling van de proceskosten van €322 aan eiser.
Uitkomst: De rechtbank heft de vreemdelingenbewaring op wegens overschrijding van de uitspraaktermijn en schending van artikel 5 lid 4 EVRM en kent schadevergoeding toe.