ECLI:NL:RBSGR:2008:BF3715
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
Eiser, een Chinese vreemdeling, werd op 10 september 2008 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Tegen deze maatregel werd beroep ingesteld met het verzoek tot opheffing van de bewaring en toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank beoordeelde of er zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn, een vereiste voor rechtmatigheid van vreemdelingenbewaring. Verweerder stelde dat er een gewijzigde situatie was, onder meer door diplomatiek overleg en de afgifte van een laissez-passer op 8 september 2008, die zicht op uitzetting zou bieden.
De rechtbank volgde dit standpunt niet, omdat verweerder geen concrete informatie kon geven over de omstandigheden van de laissez-passer en het diplomatiek overleg. De rechtbank concludeerde dat het zicht op uitzetting vanaf het begin van de bewaring ontbrak, waardoor de bewaring onrechtmatig was.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel per 23 september 2008 moet worden opgeheven en kende eiser een schadevergoeding van € 1065 toe voor de onrechtmatige bewaring. Tevens veroordeelde zij verweerder tot vergoeding van de proceskosten van € 644. De uitspraak werd gedaan door rechter J.R. van Es-de Vries op 23 september 2008.
Uitkomst: De rechtbank hecht het beroep toe, heft de vreemdelingenbewaring op en kent schadevergoeding en proceskosten toe.