ECLI:NL:RBSGR:2008:BF0787

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
14 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/27600
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. Odink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Vw 2000Art. 8 onder j Vw 2000Art. 64 Vw 2000Art. 8:67 AwbArt. 8:70 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing onrechtmatige vrijheidsontneming wegens rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000

Eiser, een Nigeriaanse burger, werd op 12 oktober 2007 vrijheidsontnemend vastgehouden op grond van artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Het onderhavige beroep betreft een vervolgberoep tegen deze maatregel. Eiser stelde dat zijn gezondheidsklachten en het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 de voortzetting van de vrijheidsontneming niet langer rechtvaardigden.

De gemachtigde van verweerder voerde aan dat het rechtmatig verblijf door uitstel van vertrek niet direct tot beëindiging van de vrijheidsontneming leidde, mede vanwege medische overwegingen in verband met tuberculosebehandeling. De rechtbank oordeelde dat met de verlening van uitstel van vertrek per 18 juli 2008 op grond van artikel 64 Vw Pro 2000 eiser rechtmatig verblijf verkreeg en daarmee niet langer aan de voorwaarden voor vrijheidsontneming werd voldaan.

De rechtbank stelde vast dat het voortduren van de bewaring vanaf 18 juli 2008 onrechtmatig was en veroordeelde de Staat tot betaling van een schadevergoeding van €1890,- aan eiser. Tevens werd de bewaring per 14 augustus 2008 opgeheven. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De rechtbank heft de vrijheidsontneming per 14 augustus 2008 op en kent schadevergoeding toe wegens onrechtmatige bewaring vanaf 18 juli 2008.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
Proces-verbaal van de zitting van 14 augustus 2008 inhoudende mondelinge
Uitspraak
op grond van artikel 8:67 j? 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 96 en Pro artikel 106 Vreemdelingenwet Pro 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 08/27600
V-nr.: [nummer]
inzake:
[eiser], (gesteld) Burger van Nigeria, verblijvende in het Detentiecentrum Schiphol-Oost, eiser,
gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen, advocaat te Kapelle,
tegen:
de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. J.P. Lamfers-van den Bos, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
Eiser is ter zitting in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig de heer E.O. Tackey, tolk Pidgin.
Ten aanzien van eiser is op 12 oktober 2007 de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 opgelegd.
Het onderhavige beroep betreft een vervolgberoep.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser namens eiser opheffing van de maatregel gevorderd. De gemachtigde van eiser heeft deze vordering gegrond op de volgende -hier samengevat en zakelijk weergegeven- argumenten. Eisers gezondheidsklachten leiden er toe dat de vrijheidsontneming niet langer verantwoord is. Verder is het aan eiser verleende uitstel van vertrek om onduidelijke redenen ingetrokken. Desgevraagd beaamt de gemachtigde van eiser dat eiser zich ook op het standpunt heeft gesteld dat het rechtmatig verblijf verkregen door de toepassing van artikel 64 van Pro de Vw 2000, in de weg staat aan de voortduring van de vrijheidsontneming.
De gemachtigde van verweerder heeft zich op het volgende -hier samengevat en zakelijk weergegeven- standpunt gesteld. Eiser heeft de stelling onvoldoende onderbouwd dat de vrijheidsontneming niet langer kan voortduren door detentieongeschiktheid op grond van medische omstandigheden. De omstandigheid dat eiser rechtmatig verblijf heeft gehad door de verlening van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000, heeft niet direct geleid tot de beëindiging van de vrijheidsontneming. In het kader van de medische behandeling van tuberculose worden regelmatig medische tests uitgevoerd. Na de verlening van uitstel van vertrek heeft verweerder de uitslag afgewacht van een nieuwe test. Toen de uitslag van die test negatief bleek, is het uitstel van vertrek op 6 augustus 2008 beëindigd en is de bewaring voortgezet.
Desgevraagd antwoordt de gemachtigde van verweerder dat in deze zaak enige onduidelijkheid bestaat over het antwoord op de vraag hoe artikel 64 van Pro de Vw 2000 zich verhoudt tot artikel 3 en Pro artikel 6 van Pro de Vw 2000
MOTIVERING
Onderhavig beroep is het tweede beroep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. Thans dient te worden beoordeeld of de voortgezette toepassing daarvan gerechtvaardigd is te achten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Bij besluit van 31 juli 2008 heeft verweerder aan eiser uitstel van vertrek verleend van 18 juli 2008 tot 18 januari 2009 op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000. Door de toepassing van artikel 64 van Pro de Vw 2000 heeft eiser rechtmatig verblijf verkregen op grond van artikel 8 onder Pro j van de Vw 2000. Daarmee is aan eiser vanaf 18 juli 2008 toegang verleend en wordt vanaf die datum niet meer voldaan aan de voorwaarden van vrijheidsontneming op grond van artikel 6 van Pro de Vw 2000.
Vanaf 18 juli 2008 is het voortduren van de bewaring onrechtmatig. Aan eiser zal vanaf die dag schadevergoeding worden verleend.
Hieruit volgt dat de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel van 18 juli 2008 in strijd is met artikel 6 van Pro de Vw 2000.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
BESLISSING
De rechtbank verklaart het beroep gegrond,
beveelt dat de bewaring ingaande 14 augustus 2008 wordt opgeheven,
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 1890,- (27 x € 70,-) (zegge: achttienhonderd en negentig euro), te betalen aan eiser;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
mr. J.A.A.M. de Beer mr. R. Odink
griffier voorzitter