ECLI:NL:RBSGR:2008:BF0184
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.F.M. Hofhuis
- P.A. Koppen
- D. Aarts
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aansprakelijkheid Nederlandse Staat voor dood familieleden in Srebrenica
Eiser, voormalig tolk bij de Verenigde Naties en Dutchbat, vordert dat de Nederlandse Staat aansprakelijk wordt gehouden voor de dood van zijn ouders en broer tijdens de val van Srebrenica in juli 1995. Hij stelt dat Dutchbat en Nederlandse gezagsdragers onrechtmatig hebben gehandeld door onvoldoende bescherming te bieden en hen aan de vijand bloot te stellen.
De Staat voert verweer dat het handelen van Dutchbat uitsluitend aan de Verenigde Naties moet worden toegerekend, omdat deze organisatie de operationele gezags- en bevelsbevoegdheid over het bataljon uitoefende. De rechtbank bevestigt dit en oordeelt dat het optreden van Dutchbat moet worden beoordeeld binnen het kader van UNPROFOR. Normschendingen tijdens de uitoefening van bevoegdheden die aan de VN zijn overgedragen, kunnen niet aan de Staat worden toegerekend.
De rechtbank onderzoekt of de Nederlandse Staat de VN-bevelsstructuur heeft doorbroken, wat toerekening aan de Staat zou kunnen rechtvaardigen, maar concludeert dat daarvoor onvoldoende bewijs is. Ook het beroep van eiser op mensenrechtenverdragen en het Genocideverdrag leidt niet tot aansprakelijkheid van de Staat. De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af en oordeelt dat de Nederlandse Staat niet aansprakelijk is voor de dood van de familieleden van eiser in Srebrenica.