ECLI:NL:RBSGR:2008:BE8956
Rechtbank 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken reëel zicht op uitzetting naar China
Eiser, een Chinese vreemdeling, werd op 15 juli 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank beoordeelt of de bewaring gerechtvaardigd is, waarbij centraal staat of er een reëel zicht op uitzetting bestaat.
De staatssecretaris verwees naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en stelde dat eiser zelf actief moet meewerken aan het verkrijgen van documenten. Tevens werd gesteld dat diplomatiek overleg met China gaande is om de afgifte van reisdocumenten te verbeteren.
De rechtbank constateert echter dat sinds april 2007 geen laissez passers meer zijn verstrekt aan (deels) gedocumenteerde Chinese vreemdelingen, hetgeen de veronderstelling van de Afdeling ondermijnt dat bij juiste documentatie uitzetting mogelijk is. Er is geen concreet resultaat van het diplomatiek overleg en geen aanwijzing dat de afgifte van reisdocumenten binnen afzienbare tijd hervat zal worden.
Gelet hierop acht de rechtbank het zicht op uitzetting niet reëel en verklaart de bewaring onrechtmatig. De bewaring wordt met ingang van 19 augustus 2008 opgeheven en eiser wordt een schadevergoeding van € 2.500,00 toegekend. Tevens worden de proceskosten van € 644,00 aan eiser toegewezen.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van reëel zicht op uitzetting en eiser krijgt een schadevergoeding van € 2.500 toegekend.