Uitspraak
Rechtbank ’s-Gravenhage
I.PROCESVERLOOP
Op 14 juni 2001 heeft zij een aanvraag ingediend tot verlening van een
II.OVERWEGINGEN
- van wie de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 is afgewezen, anders dan met toepassing van artikel 30 van Pro de Vw 2000;
- die zich naar het oordeel van Onze Minister niet zelfstandig kan handhaven in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, en
- voor wie naar het oordeel van onze minister, naar plaatselijke maatstaven gemeten, adequate opvang ontbreekt in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan.
Geen rechtsregel brengt mee dat een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een aanvraag om verlening van een amv-verblijfsvergunning impliceert. Dat laat onverlet dat de minister de bevoegdheid heeft ambtshalve een beslissing te nemen over de vraag of de vreemdeling voor verlening van een zodanige vergunning in aanmerking komt.” Dit betekent dat verweerder voor wat betreft de ingangsdatum van de vergunning niet gehouden is aan het bepaalde in artikel 26, eerste lid Vw, maar de verblijfsvergunning kan laten ingaan op een datum gelegen vóór de datum waarop door ondertekening van formulier M35-H een verzoek om toelating als vluchteling is ingediend. Niet langer is in geschil dat eiseres vanaf het tijdstip dat zij in Nederland is voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘Verblijf als amv’. Verweerder was door de indiening van het verzoek om toelating op 14 juni 2001 bekend met de aanwezigheid van eiseres hier te lande en de omstandigheden waarin zij verkeerde. De rechtbank acht voorts van belang dat eiseres, van wie niet in geschil is dat zij op 14 juni 2001 pas negen jaar was, geen enkele verantwoordelijkheid kan dragen voor het feit dat ondertekening van de aanvraag door de voogd op zich heeft laten wachten. Gelet voorts op het feit dat door de verlening van een vergunning als hier in geding beoogd wordt bescherming te bieden aan bijzonder kwetsbare personen en dat eiseres juist vanwege haar leeftijd niet in de gelegenheid kon worden gesteld haar asielaanvraag nader toe te lichten, kan van het besluit om eerst met ingang van 22 januari 2002 en niet met ingang van 14 juni 2001 een verblijfsvergunning te verlenen niet worden gezegd dat verweerder hiertoe bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen komen.