ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2658
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit wegens onvoldoende medische motivering
Verzoekster, een burger van Azerbeidzjan, had op 11 september 2007 een aanvraag gedaan om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege haar psychiatrische en medische klachten. De staatssecretaris van Justitie wees dit verzoek af op basis van een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 6 december 2007. De BMA-arts concludeerde dat verzoekster niet kan reizen tenzij vlak voor vertrek een nieuwe medische beoordeling plaatsvindt.
Verzoekster maakte bezwaar tegen het afwijzingsbesluit en verzocht om een voorlopige voorziening om de uitzetting op te schorten. De voorzieningenrechter oordeelde dat het BMA-advies onvoldoende gemotiveerd was om te concluderen dat verzoekster verantwoord kon reizen ten tijde van het besluit. De beoordeling werd immers uitgesteld naar vlak voor vertrek, terwijl op dat moment nog geen duidelijkheid bestond over de reismogelijkheid.
De rechtbank volgde de staatssecretaris niet in diens uitleg dat de advisering was aangepast en dat uitzetting onder voorwaarden mogelijk was. De jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak was niet van toepassing in deze zaak. Gezien het ontbreken van een deugdelijke motivering werd het bezwaar als kansrijk beoordeeld en werd het verzoek tot voorlopige voorziening toegewezen. Tevens werd de staat veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de uitzetting van verzoekster wordt geschorst totdat op het bezwaar is beslist.