ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2208
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken reëel zicht op uitzetting
Eiser, een Chinese vreemdeling zonder documenten, werd op 16 april 2008 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Tegen deze bewaring werd beroep ingesteld met het verzoek om opheffing en schadevergoeding.
De rechtbank beoordeelde of de bewaring rechtmatig was en of er voldoende zicht op uitzetting bestond. Hoewel de gronden voor bewaring niet werden weersproken, stelde de rechtbank vast dat de Chinese autoriteiten in 2007 en 2008 geen reisdocumenten verstrekten aan ongedocumenteerde Chinese vreemdelingen. Verweerder kon niet aantonen dat eiser redelijkerwijs in het bezit kon komen van documenten die tot uitzetting zouden leiden.
De rechtbank concludeerde dat het standpunt van verweerder dat eiser verantwoordelijk is voor het verkrijgen van documenten onvoldoende concreet was onderbouwd. Hierdoor ontbrak reëel zicht op uitzetting en kreeg de bewaring het karakter van gijzeling. De bewaring werd daarom onrechtmatig verklaard en per direct opgeheven.
Daarnaast werd een schadevergoeding van €910 toegekend voor de periode van bewaring en werden de proceskosten van €644 aan eiser toegewezen. De Staat der Nederlanden werd aangewezen als de partij die deze kosten moet vergoeden.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de vreemdelingenbewaring wegens ontbreken reëel zicht op uitzetting en kent schadevergoeding en proceskosten toe.