RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Sector bestuursrecht
Uitspraak van de meervoudige kamer van 29 april 2008
[eiseres],
geboren op [geboortedatum] 1964,
nationaliteit Chinese,
verblijvende te Zeist in het detentiecentrum,
eiseres,
gemachtigde mr. R.W. Koevoets,
de staatssecretaris van Justitie,
te Den Haag,
verweerder,
gemachtigde mr. P. van Zijl.
Op 18 augustus 2007 is eiseres op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.
Bij uitspraken van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van 3 september 2007, 13 september 2007, 5 oktober 2007, 2 november 2007, 13 november 2007, 30 november 2007, 20 december 2007, 7 januari 2008, 17 januari 2008, 1 februari 2008, 15 februari 2008, 28 februari 2008, 14 maart 2008 en 3 april 2008, zijn eerdere beroepen, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.
Eiseres heeft op 4 april 2008 beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Voorts is om schadevergoeding verzocht.
Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder op 9 april 2008 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van eiseres heeft hierop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, gereageerd bij schrijven van 11 april 2008.
De zaak is behandeld op de zitting van 22 april 2008, waar eiseres is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.
1. Gelet op hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, moet in deze zaak worden beoordeeld of nog steeds voldoende perspectief bestaat op uitzetting van eiseres.
2. Eiseres heeft onder meer aangevoerd dat er, blijkens de uitspraak van de rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 2 april 2008 (AWB 08/6646, LJN: BC8948), in 2007 aan geen enkele ongedocumenteerde Chinese vreemdeling een laissez passer is verstrekt. Eiseres is eveneens ongedocumenteerd, zodat ook in haar geval ieder reëel zicht op uitzetting ontbreekt.
3. Verweerder heeft betoogd dat eiseres op 13 september 2007 bij de Chinese autoriteiten is gepresenteerd en dat het onderzoek nog loopt. Na de vorige uitspraak heeft verweerder nog op 4 april 2008 bij de Chinese autoriteiten gerappelleerd. Er is nog steeds reëel zicht op uitzetting, omdat eiseres het zelf in haar macht heeft om documenten te verstrekken. Zij heeft tijdens het terugkeergesprek op 1 november 2007 aangegeven dat zij zou gaan nadenken over documenten. Tot op heden heeft eiseres echter geen documenten verstrekt, terwijl zij daartoe wel in staat is.
4. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat juist is, zoals uit de genoemde uitspraak van de rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 2 april 2008, naar voren komt, dat er in 2007 aan geen enkele ongedocumenteerde Chinese vreemdeling een laissez passer is verstrekt. Dit gegeven kan relevant zijn voor het antwoord op de vraag of ten aanzien van de groep ongedocumenteerde Chinese vreemdelingen nog zicht op uitzetting aanwezig kan worden geacht. Voor de beantwoording van de vraag of bedoeld gegeven ook relevant is voor de beoordeling van het zicht op uitzetting in het geval van eiseres dient derhalve eerst te worden vastgesteld of eiseres al dan niet als een ongedocumenteerde Chinese vreemdeling heeft te gelden.
5. De rechtbank leidt uit de gedingstukken af dat eiseres, zoals verweerder onweersproken heeft gesteld, over documenten kan beschikken. In de voortgangsrapportage is aangegeven dat de Vreemdelingenpolitie een kopie van het paspoort van eiseres heeft weten te achterhalen bij een casino. Eiseres heeft verklaard dat zij wel de pasfoto heeft geleverd voor het paspoort, maar dat de 'slangekoppen' voor het paspoort hebben gezorgd. De in het paspoort geplaatste naam zou niet de echte naam van eiseres zijn. Zij wil niet zeggen waar het paspoort is.
Gelet hierop kan eiseres, anders dan zij heeft gesteld, niet als een ongedocumenteerde Chinese vreemdeling worden aangemerkt.
6. Dientengevolge kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat in het geval van eiseres thans ieder reëel zicht op uitzetting ontbreekt.
7. Het beroep is, gezien het vorenstaande, ongegrond.
8. Hetgeen eiseres overigens in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
10. Het namens eiseres ingediende verzoek om schadevergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu ingevolge artikel 106 van de Vw 2000 een dergelijk verzoek slechts kan worden toegewezen indien de rechtbank de opheffing van de bewaring beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van de maatregel wordt opgeheven, hetgeen in casu niet het geval is.
11. Beslist wordt als volgt.
- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange als voorzitter en mrs. A.B.M. Hent en J.R. van Es-de Vries als leden van de meervoudige kamer in tegenwoordigheid van P. Bijen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2008.