ECLI:NL:RBSGR:2008:BC9839
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Weiss
- Vriezen
- Van der Veen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verschuldigdheid vast recht bij intrekking kort geding na uitroeping
In deze civiele procedure verzocht de eiser via zijn advocaat de rechtbank om te verklaren dat er geen griffierecht verschuldigd was in een kort gedingprocedure tussen [A] en de Staat. De kern van het geschil betrof de vraag of het vast recht geheven mocht worden, aangezien de zaak na meerdere aanhoudingen werd ingetrokken voordat de mondelinge behandeling plaatsvond.
De rechtbank stelde vast dat de zaak op de rolzitting van 26 februari 2007 was uitgeroepen, hetgeen betekent dat het vast recht op dat moment verschuldigd werd. Dit ondanks dat partijen telefonisch al op 23 februari 2007 waren geïnformeerd over de aanhouding. De intrekking van de zaak op 9 maart 2007 vond dus plaats nadat de zaak was uitgeroepen.
De rechtbank concludeerde dat de griffier terecht het vast recht had geheven conform artikel 2 lid 1 van Pro de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ). Het verzet van de eiser werd daarom ongegrond verklaard. Er werd afgezien van een mondelinge behandeling en de uitspraak werd schriftelijk gedaan op 10 april 2008.
Uitkomst: Het verzet tegen de heffing van griffierecht wordt ongegrond verklaard omdat de zaak was uitgeroepen voordat deze werd ingetrokken.