ECLI:NL:RBSGR:2008:BC9261
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting vreemdelingenbewaring na negen maanden zonder criminele antecedenten
Eiser, een Soedanese vreemdeling, werd op 22 juni 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld. Ondanks meerdere eerdere afwijzingen van verzoeken tot opheffing, stelde eiser op 19 maart 2008 beroep in tegen het voortduren van de bewaring die inmiddels langer dan negen maanden duurde. De rechtbank beoordeelde of de belangenafweging in het voordeel van eiser moest uitvallen gezien het ontbreken van criminele antecedenten en ongewenstverklaring.
De rechtbank constateerde dat verweerder weliswaar pogingen had gedaan tot vertrekgesprekken en contact met de Soedanese ambassade, maar dat eiser zelf niet meewerkte en het onderzoek frustrerend was. Desondanks vond de rechtbank dat dit onvoldoende was om de bewaring na negen maanden voort te zetten. De bewaring werd daarom met ingang van 22 maart 2008 onrechtmatig geacht.
Hoewel er in beginsel gronden waren voor schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring, matigde de rechtbank deze tot nihil vanwege de frustratie door eiser, zijn volharding in de Soedanese nationaliteit ondanks taalanalyse die Nigeriaanse herkomst aangaf, en het weigeren van contact met de ambassade. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €483,00.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring is onrechtmatig verklaard met ingang van 22 maart 2008 en opgeheven per 9 april 2008; schadevergoeding is nihil.