ECLI:NL:RBSGR:2008:BC7726
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Internationale kinderontvoering en omgangsregeling tussen ouders na verhuizing van minderjarige
De zaak betreft een internationale kinderontvoering waarbij de vader zonder toestemming van de moeder de minderjarige op 15 januari 2007 vanuit Zuid-Afrika naar Nederland heeft overgebracht. De moeder verzocht via de Centrale Autoriteit om teruggeleiding van het kind naar Zuid-Afrika. De vader weigert medewerking en stelt dat hij het eenhoofdig gezag heeft en dat de minderjarige geworteld is in Nederland.
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van ongeoorloofde overbrenging in de zin van het Haagse Verdrag en dat de gewone verblijfplaats van het kind voor de overbrenging Zuid-Afrika was. De rechtbank constateert dat de minderjarige inmiddels een band met Nederland heeft opgebouwd en zich verzet tegen terugkeer naar Zuid-Afrika. Dit verzet en de worteling kunnen gronden zijn om terugkeer te weigeren.
De rechtbank wijst op het belang van nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming naar de mate van worteling, de geestelijke rijpheid van de minderjarige, mogelijke beschermingsmaatregelen en een passende omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige indien teruggeleiding wordt afgewezen.
De rechtbank wijst tevens op de problematiek rondom de omgang tussen moeder en kind, waarbij de vader de omgang bemoeilijkt en de minderjarige een loyaliteitsconflict lijkt te ervaren. De behandeling wordt aangehouden tot ontvangst van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, met een vervolgzitting gepland op 18 april 2008.
Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan voor nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming en wijst teruggeleiding voorlopig af vanwege worteling en verzet van de minderjarige.