ECLI:NL:RBSGR:2008:BC4916
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ongewenstverklaring vreemdeling in belang internationale betrekkingen en EVRM-toetsing
Verzoeker, een Congolese burger, is op 23 juli 2007 op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 ongewenst verklaard vanwege ernstige misdrijven die hij in de Democratische Republiek Congo heeft gepleegd. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd. Verzoeker voerde aan dat de belangenafweging onvoldoende was gemotiveerd en dat de toepassing van artikel 3 EVRM Pro onjuist was, onder meer omdat er geen individueel ambtsbericht was opgesteld en hij vreest voor schending van zijn rechten bij terugkeer.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het beleid van de overheid, zoals neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000, niet in strijd is met wettelijke voorschriften en dat verweerder binnen redelijke beleidsgrenzen heeft gehandeld. De eerdere onherroepelijke uitspraak van 16 januari 2007 bevestigt dat verzoeker terecht onder artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag valt wegens betrokkenheid bij ernstige misdrijven. De rechtbank acht de belangenafweging zorgvuldig en concludeert dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat terugkeer tot een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro leidt.
Verzoekers argumenten over het ontbreken van een individueel ambtsbericht en mogelijke schending van artikel 6 EVRM Pro worden verworpen omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt daadwerkelijk gezocht te worden in zijn land van herkomst. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak bevestigt dat de ongewenstverklaring in het belang van de internationale betrekkingen en openbare orde is gerechtvaardigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.