ECLI:NL:RBSGR:2007:BD1006
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C. Greeuw
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens beëindiging gezinsvorming na vertrek echtgenote
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit, verkreeg in 2004 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'gezinsvorming bij echtgenote'. Op 20 oktober 2005 verliet zijn echtgenote onverwacht de gezamenlijke woning en keerde niet terug. Verweerder trok daarom met terugwerkende kracht per die datum de verblijfsvergunning in.
Eiser maakte bezwaar en stelde dat het beleid omtrent voortzetting van verblijf na overlijden van de hoofdpersoon analoog toegepast moest worden, aangezien zijn echtgenote vermist werd en haar overlijden niet uitgesloten kon worden. De rechtbank oordeelde dat volgens artikel 1:413 BW Pro vermissing pas na vijf jaar gelijkgesteld kan worden aan overlijden, en dat daarvan geen sprake was. Er waren geen aanwijzingen dat de echtgenote was overleden.
Daarnaast voerde eiser aan dat hij in Nederland werk heeft, familiecontacten onderhoudt en niet kan terugkeren naar Marokko vanwege schulden en mogelijke gevangenisstraf. De rechtbank vond deze omstandigheden onvoldoende om af te zien van intrekking.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht tot intrekking is overgegaan en verklaarde het beroep ongegrond. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.