ECLI:NL:RBSGR:2007:BD0692

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
26 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
P 07-0912154
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet BopzArt. 3 Wet BopzArt. 5 Wet BopzArt. 6 Wet BopzArt. 8 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige machtiging voortduren verblijf in psychiatrisch ziekenhuis wegens gevaar voor betrokkene

De rechtbank 's-Gravenhage behandelde het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een voorlopige machtiging voor het voortduren van het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. Uit de overgelegde stukken en verklaringen bleek dat betrokkene door zijn psychiatrische stoornis een gevaar voor zichzelf vormt en dat dit gevaar niet buiten het ziekenhuis kan worden afgewend.

Betrokkene vertoont wisselende wilsbekwaamheid en heeft geen familie in Nederland die zijn belangen kan behartigen. Het behandelteam adviseert Electro Convulsie Therapie (ECT) vanwege de onbehandelbare aard van de aandoening, maar betrokkene is niet in staat een weloverwogen beslissing hierover te nemen.

De rechtbank overweegt dat de bepalingen van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) een restrictieve uitleg van het begrip 'nodige bereidheid' vereisen, in het belang van betrokkene. Tevens biedt de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling in het Burgerlijk Wetboek onvoldoende waarborgen om noodsituaties af te wenden of ingrijpende behandelingen zoals ECT zonder toestemming mogelijk te maken.

Daarom concludeert de rechtbank dat een vrijwillig verblijf onvoldoende bescherming biedt en verleent zij de voorlopige machtiging tot voortduren van het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis.

Uitkomst: De rechtbank verleent de voorlopige machtiging tot voortduren van het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis vanwege gevaar voor betrokkene en onvoldoende waarborgen bij vrijwillig verblijf.

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE
Sector Familie- en Jeugdrecht
Enkelvoudige Kamer
Voorlopige machtiging tot het doen voortduren van het verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis
kenmerk :P 07-0912154
De rechtbank ’s-Gravenhage,
gezien het op 15 november 2007 ingekomen verzoek van de officier van justitie in het arrondissement ’s Gravenhage d.d. 15 november 2007, tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot het doen voortduren van het verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis, van:
[A.],
geboren op [geboortedatum] 1975,
wonende te [adres], doch verblijvende in het psychiatrisch ziekenhuis [psychiatrisch ziekenhuis];
gezien de bij het verzoek overgelegde stukken, waaronder de op 14 november 2007 ondertekende en met redenen omklede verklaring van R.J. van Dijk als de geneesheer-directeur van het genoemde ziekenhuis, alsmede een afschrift van het behandelingsplan en een schriftelijke toelichting omtrent het ziekteverloop bij betrokkene;
gehoord op 23 november 2007 de betrokkene, bijgestaan door mr. M.S.C. Leistra, zulks in plaats van de advocaat van betrokkene, mr. T.G. Brown-Knip, de tolk in de Somalische taal M.M. Saeed, alsmede de behandelend arts A.H.M. Metzemaekers;
overwegende dat de verzochte machtiging slechts mag worden verleend wanneer stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken, en het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend;
overwegende dat uit de inhoud van overgelegde stukken en verklaringen van de gehoorde personen is gebleken dat het hiervoor bedoelde gevaar zich voordoet;
overwegende dat de betrokkene immers door zijn ziekte een gevaar oplevert voor zichzelf;
overwegende voorts dat onvoldoende is gebleken dat het gevaar door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend;
overwegende ten slotte uit de inhoud van overgelegde stukken en verklaringen van de gehoorde personen is gebleken dat betrokkene wisselend wilsbekwaam is en geen familie in Nederland aanwezig is om hem te vertegenwoordigen of anderszins zijn belangen te behartigen;
dat eveneens is gebleken dat betrokkene regelmatig dient te worden gesepareerd wegens gevaar voor hemzelf binnen de inrichting, waar hij zich weliswaar niet tegen verzet, maar ook geen
– weloverwogen – toestemming voor verleent;
dat voorts uit de overgelegde stukken is gebleken dat het behandelteam betrokkene heeft geadviseerd om Electro Convulsie Therapie (ECT) te ondergaan vanwege de thans nog onbehandelbaar gebleken psychiatrische aandoening, maar dat betrokkene gezien de wisselende wilsbekwaamheid zelf niet in staat is hierover een weloverwogen beslissing te nemen;
dat de bepalingen van hoofdstuk 3 van nagenoemde wet, welke bepalingen immers voor een belangrijk deel de strekking hebben rechtsbescherming te bieden aan patiënten die onvrijwillig zijn opgenomen, bij een vrijwillig verblijf niet van toepassing zijn, zodat moet worden geoordeeld dat een beperkte uitleg van het begrip vrijwillig verblijf, dan wel nodige bereidheid in de zin van artikel 2 van Pro nagenoemde Wet, in het belang moet worden geacht van de betrokkene;
dat voorts de overeenkomst inzake de geneeskundige behandeling zoals opgenomen in het Burgerlijk Wetboek 7, titel 7, afdeling 5 onvoldoende mogelijkheden biedt ter afwending van de noodsituaties waarin betrokkene zich regelmatig bevindt en ook geen mogelijkheden biedt een ingrijpende behandeling zoals ECT zonder uitdrukkelijke toestemming van betrokkene of diens wettelijke vertegenwoordiger mogelijk te maken, welke behandeling in het licht van de thans onbehandelbaar gebleken psychiatrische aandoening waardoor betrokkene in een situatie verkeert waarin hij steeds verder psychiatrische achteruitgaat, in de nabije toekomst mogelijk als laatste redmiddel wordt gezien;
dat een en ander er toe leidt dat naar het oordeel van de rechtbank een vrijwillig verblijf van de betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis onvoldoende waarborg biedt ter afwending van het gevaar;
gelet op de artikelen 2, 3, 5, 6, 8 en 9 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen;
VERLEENT voorlopige machtiging tot het doen voortduren van het verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis, van:
[A.],
geboren op [geboortedatum] 1975.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.I. Kernkamp-Maathuis, in het bijzijn van mr. W. van den Aardweg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2007.