ECLI:NL:RBSGR:2007:BD0010
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijkheid van waarderingskosten Wet WOZ door De Waarderingskamer
De zaak betreft een geschil tussen het College van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop en De Waarderingskamer over de redelijkheid van de kosten van de waardering van onroerende zaken in het kader van de Wet WOZ over de jaren 1999 tot en met 2002. De gemeente had bezwaar gemaakt tegen het besluit van De Waarderingskamer waarin een bedrag van € 586.812,69 aan waarderingskosten werd geaccordeerd, terwijl de gemeente een hogere kostenopgave had ingediend.
De rechtbank heeft beoordeeld of De Waarderingskamer de beoordelingsvrijheid correct heeft toegepast bij het vaststellen van de redelijke waarderingskosten volgens artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit. De Waarderingskamer hanteert een systematiek waarbij de kosten van de betrokken gemeente worden vergeleken met die van acht vergelijkbare gemeenten, gevolgd door een opslag van 25% om individuele omstandigheden te compenseren.
De rechtbank oordeelt dat deze methode een redelijk uitgangspunt vormt en dat de beoordelingsvrijheid niet is overschreden. Ook het maximale uurtarief en de afwijzing van bepaalde kostenposten, zoals opleidingskosten en een specifieke factuur, zijn volgens de rechtbank terecht toegepast. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de beschikking van De Waarderingskamer blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van de gemeente wordt ongegrond verklaard en het besluit van De Waarderingskamer blijft in stand.