ECLI:NL:RBSGR:2007:BC4093
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- M.A.C. Prins
- Rechtspraak.nl
Schorsing ongewenstverklaring op grond van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag wegens onvoldoende onderbouwing ernst misdrijf
Verzoeker is ongewenst verklaard op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, waarbij verweerder ervan uitging dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat verzoeker misdrijven heeft gepleegd. Verzoeker betwist deze ongewenstverklaring en stelt dat de bestuursrechtelijke bewijsmaatstaf minder streng is dan de strafrechtelijke, waardoor de aard en ernst van de misdrijven onvoldoende zijn onderbouwd.
De rechtbank overweegt dat de bestuursrechtelijke bewijsmaatstaf inderdaad afwijkt van de strafrechtelijke, maar dat verweerder bij de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro onvoldoende rekening heeft gehouden met dit verschil. De enkele tegenwerping van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag is onvoldoende om de ernst en aard van de misdrijven vast te stellen, zeker omdat geen strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken.
Daarom kan niet op voorhand worden uitgesloten dat de ongewenstverklaring niet gehandhaafd kan worden. De rechtbank treft een voorlopige voorziening door het besluit te schorsen totdat in de hoofdzaak is beslist. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot ongewenstverklaring van verzoeker wordt geschorst totdat in de hoofdzaak is beslist.