ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0740
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C. Greeuw
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning niet-ontvankelijk wegens ongewenstverklaring
Eiser, een Afghaanse nationaliteit, diende in 1998 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na afwijzing in 2001 werd het beroep in 2004 gegrond verklaard en verweerder moest een nieuw besluit nemen. Dit nieuwe besluit van 1 mei 2006 wees de aanvraag opnieuw af, waartegen eiser in beroep ging.
Verweerder stelde dat eiser geen belang had bij het beroep omdat hij op 22 juni 2006 ongewenst was verklaard, waardoor hij geen rechtmatig verblijf kan hebben volgens artikel 67, derde lid, Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank bevestigde dat vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelt dat zolang de ongewenstverklaring voortduurt, een beroep tegen een verblijfsvergunning geen rechtmatig verblijf kan opleveren.
Eiser voerde aan dat het beroep wel degelijk belang heeft, onder meer omdat de schending van artikel 3 EVRM Pro en de status van vluchteling in de asielprocedure beoordeeld moeten worden en dat het beroep ook de dreigende uitzetting betreft. De rechtbank oordeelde echter dat deze kwesties in de procedure over de ongewenstverklaring beoordeeld moeten worden.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter H.C. Greeuw op 13 augustus 2007.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens voortgaande ongewenstverklaring.