ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0672
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar in Rwanda
Eiser, een Rwandese nationaliteit dragende Hutu, vreesde vervolging vanwege zijn werkzaamheden bij het International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR) en zijn etnische achtergrond. Hij stelde dat hij in de bijzondere negatieve aandacht stond van de Rwandese autoriteiten en onderbouwde dit met diverse documenten, verklaringen en incidenten, waaronder bedreigingen van getuigen en anonieme telefoontjes.
Verweerder erkende de feiten die eiser had meegemaakt, maar achtte de aan die feiten ontleende vermoedens van vervolging niet geloofwaardig. Zo had eiser na 2004 nog legaal Rwanda kunnen in- en uitreizen en een paspoort ontvangen, wat niet wijst op negatieve aandacht. Ook de brief van de militaire aanklager en het ICTR-onderzoek boden onvoldoende bewijs voor een reëel vervolgingsgevaar.
De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen had geleverd waaruit blijkt dat hij persoonlijk vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro te vrezen heeft. De cumulatie van omstandigheden was niet overtuigend genoeg om hem als vluchteling aan te merken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
De rechtbank wees ook proceskostenveroordeling af en benadrukte dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas primair aan verweerder toekomt en slechts terughoudend door de rechter wordt getoetst.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen.