ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9703
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting vreemdelingenbewaring na asielaanvraag en voortvarendheid van uitzetting
Eiser is op 4 september 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld en heeft hiertegen beroep ingesteld. Hij stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij zijn uitzetting, mede omdat hij pas na ruim vijf weken na zijn kenbaarmaking een asielaanvraag kon indienen. De rechtbank oordeelt dat geen wettelijke termijn bestaat voor het indienen van een asielaanvraag na de wensverklaring en dat de IND de procedure op het Aanmeldcentrum Schiphol uitvoert waarbij de vrijheidsontneming wordt voortgezet.
De rechtbank stelt vast dat binnen zes weken na de wens tot indiening van de asielaanvraag een besluit is genomen, hetgeen in deze zaak ook is gebeurd met een afwijzende beschikking op 26 oktober 2007. De handelwijze van verweerder wordt als zorgvuldig en voortvarend beoordeeld, en eiser is niet benadeeld. De rechtbank merkt op dat eiser zelf met zijn aanvraag de uitzetting uitstelt en dat hij sinds 1999 geen eerdere asielaanvraag heeft ingediend.
Verder is vastgesteld dat het verblijf in het uitzetcentrum niet wezenlijk afwijkt van het regime in huizen van bewaring en dat de duur van de bewaring niet onredelijk is. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat dit alleen kan worden toegewezen indien de bewaring wordt opgeheven, wat hier niet het geval is. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.