ECLI:NL:RBSGR:2007:BB2855
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onrechtmatigheid afwijzing verblijfsvergunning wegens mvv-vereiste bij gesloten Nederlandse vertegenwoordiging in Pakistan
Verzoeker, een Pakistaanse student, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor studie, maar werd afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Hij stelde vrijstelling te verdienen van het mvv-vereiste omdat de Nederlandse ambassade in Islamabad gesloten was en het consulaat in Karachi geen nieuwe mvv-aanvragen in behandeling nam.
De verweerder stelde dat verzoeker wel een mvv-aanvraag had kunnen indienen in Karachi omdat aan hem eerder een Schengenvisum was verleend, waardoor verificatie en legalisatie niet nodig waren. De voorzieningenrechter oordeelde dat deze motivatie onvoldoende was en dat uit de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken niet eenduidig bleek dat het consulaat in Karachi nieuwe mvv-aanvragen behandelde voor personen met een eerder Schengenvisum.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens schending van artikel 7:12 Awb Pro en beval een nieuw besluit op bezwaar. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat in de hoofdzaak reeds werd beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en werd de Staat der Nederlanden aangewezen als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.