ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0251

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
10 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/12499, 06/12500
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:70 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens onrechtmatige uitzetting en onvolledige beroepsgronden

Eiser heeft een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning ingediend, welke is afgewezen door verweerder. Binnen 24 uur na de beschikking heeft eiser een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, maar is desalniettemin op 22 maart 2006 uitgezet naar Marokko. Hierdoor kon de gemachtigde van eiser de beroepsgronden niet met hem bespreken en was het beroep onvolledig.

De rechtbank stelt vast dat de uitzetting onrechtmatig was en dat de onvolledigheid van de beroepsgronden door toedoen van verweerder is ontstaan. Dit maakt dat de rechtbank zich niet in staat acht om inhoudelijk over het beroep te oordelen. Het verzoek om voorlopige voorziening is eveneens niet-ontvankelijk verklaard omdat het belang bij de voorziening is komen te vervallen door de reeds uitgevoerde uitzetting.

De rechtbank wijst erop dat hoger beroep mogelijk is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na deze uitspraak. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten aan een van de partijen.

Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden niet-ontvankelijk verklaard wegens onrechtmatige uitzetting en onvolledige beroepsgronden.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
voorzieningenrechter
Uitspraak
artikel 8:70 en Pro 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 71 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 06/12499 en AWB 06/12500
V.nr.: 271.024.5372
inzake:
[eiser], geboren op [geboortedatum] 1973, van Marokkaanse nationaliteit, eiser/ verzoeker: hierna: eiser
gemachtigde: mr. E. Metzger, advocaat te Amsterdam,
tegen:
de Staatssecretaris van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,
gemachtigde: mr. P.P. Zweedijk, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
I. PROCESVERLOOP
1. Op 23 februari 2006 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000. Op 27 februari 2006 heeft verweerder aan eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 27 februari 2006 heeft eiser zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 7 maart 2006, uitgereikt op 9 maart 2006, heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat eiser na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en Nederland onmiddellijk dient te verlaten.
2. Bij beroepschrift van 9 maart 2006 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 3 april 2006 heeft de gemachtigde van eiser verzocht om de beroepstermijn met een termijn van vier weken te verlengen, aangezien zij te horen heeft gekregen dat eiser is uitgezet. Bij brief van 4 april 2006 heeft de rechtbank aangegeven dat de beroepstermijn wordt verlengd tot 6 juni 2006. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 31 mei 2006. Dit beroep schort de rechtsgevolgen van het besluit niet op. Bij brief van 9 maart 2006 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. In het verweerschrift van 28 september 2006 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2007. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.
4. De rechtbank/voorzieningenrechter, hierna: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. De rechtbank ziet aanleiding om allereerst in te gaan op de ontvankelijkheid van onderhavig beroep.
2. De gemachtigde van eiser heeft zich -voor zover relevant- op het volgende standpunt gesteld.
Aangezien eiser binnen 24 uur na uitreiking van de beschikking van 7 maart 2006 een eerste verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend, mocht hij niet totdat op voornoemd verzoek was beslist, worden uitgezet. Verweerder heeft eiser derhalve op 22 maart 2006 ten onrechte naar Casablanca uitgezet. De gemachtigde van eiser heeft getracht om eiser te bereiken in Casablanca, maar zij heeft op de brieven die zij heeft gestuurd aan zijn laatst bekende adres in Casablanca geen reactie gekregen. Ook is het verweerder niet gelukt om eiser terug te halen. Nu de gemachtigde van eiser de beroepsgronden niet met eiser heeft kunnen bespreken, hebben eiser en zijn gemachtigde zich niet naar behoren kunnen voorbereiden. Het beroep dient gelet op het voorgaande gegrond te worden verklaard.
3. Verweerder heeft zich te dien aanzien op het volgende standpunt gesteld. Het is juist dat eiser gelet op het feit dat hij binnen 24 uur na uitreiking van de beschikking van 7 maart 2006 een eerste verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend, niet mocht worden uitgezet. De Dienst Terugkeer en Vertrek heeft gepoogd, middels het sturen van een brief naar het laatst bekende adres van eiser in Casablanca, om eiser terug te halen. Hierop heeft eiser niet gereageerd. Verweerder merkt op dat het een vreemde situatie zou opleveren indien het beroep gegrond wordt verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. Er zal dan opnieuw op de aanvraag dienen te worden beslist, terwijl eiser niet in Nederland is en dus niet kan worden gehoord.
De rechtbank overweegt als volgt.
4. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser ten onrechte naar Marokko is uitgezet en de gemachtigde van eiser hierdoor niet in staat is geweest om de beroepsgronden met eiser te bespreken.
Gelet op het voorgaande zijn door toedoen van verweerder de beroepsgronden onvolledig althans kan niet worden vastgesteld of deze volledig zijn. De rechtbank acht zich dan ook niet in staat om over de onderhavige zaak een inhoudelijk oordeel te geven. Derhalve zal het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening
5. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
6. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. Gelet op het feit dat eiser op 22 maart 2006 is uitgezet, is de rechtbank van oordeel dat het belang bij de voorlopige voorziening is komen te vervallen. Het verzoek dient dan ook om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening
7. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.
IV. BESLISSING
De rechtbank
in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 06/12499
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter
in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 06/12500
- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 10 juli 2007 door mr. J. Jonkers, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.C.J. Lindeboom, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.
De griffier
De voorzitter
Afschrift verzonden op:
Conc.: SL
Coll: MG
D: B
Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.