ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9369
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- C.I.H. Fockens
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening opschorting strafrechtelijke gevolgen ongewenstverklaring vreemdeling
Verzoeker, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, werd geconfronteerd met de intrekking van zijn verblijfsvergunning en een ongewenstverklaring met strafrechtelijke gevolgen. Hij maakte bezwaar tegen deze besluiten en verzocht om een voorlopige voorziening om de strafrechtelijke gevolgen van de ongewenstverklaring op te schorten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek voor zover het betrekking had op de verblijfsrechtelijke procedures niet-ontvankelijk was wegens gebrek aan procesbelang, gelet op de samenloop van de procedures en het bepaalde in artikel 67, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Het verzoek tot opschorting van de strafrechtelijke gevolgen van de ongewenstverklaring werd echter wel ontvankelijk geacht.
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker een concreet belang had bij opschorting, omdat voortgezet verblijf zonder recht strafbaar is volgens artikel 197 Sr Pro, en verweerder had toegezegd verzoeker niet uit te zetten tijdens de bezwaarprocedure. Het belang van verzoeker woog zwaarder dan dat van verweerder bij handhaving van de strafrechtelijke gevolgen. Daarom werd de opschorting van de strafrechtelijke gevolgen van de ongewenstverklaring toegewezen tot vier weken na beslissing op bezwaar.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van het griffierecht aan verzoeker.
Uitkomst: De strafrechtelijke gevolgen van de ongewenstverklaring van verzoeker worden opgeschort tot vier weken na beslissing op bezwaar.