ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8771
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting wegens mvv-vereiste in gezinsherenigingszaak
Verzoeker, een Pakistaanse vreemdeling die sinds 1993 in Nederland verblijft, heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn zoon vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verzoeker betoogt dat de omgang met zijn zoon en de belangen van het kind, waaronder het pedagogisch noodzakelijke contact, een vrijstelling van het mvv-vereiste rechtvaardigen.
De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder op grond van de Vreemdelingenwet 2000 verplicht is de aanvraag af te wijzen tenzij toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Gezien de lopende familierechtelijke procedures omtrent het gezag en de uithuisplaatsing van de zoon, en het bepaalde in artikel 9 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), dient verzoeker in de gelegenheid te worden gesteld deze procedures bij te wonen.
De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en dat onverwijlde spoed een voorlopige voorziening vereist. Daarom wordt het verzoek toegewezen, wordt verwijdering uit Nederland verboden tot vier weken na het besluit op bezwaar, en worden de proceskosten en griffierechten aan verzoeker vergoed.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoeker wordt verboden tot vier weken na het besluit op bezwaar.