ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8505
Rechtbank 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging ongewenstverklaring wegens onvoldoende onderzoek gemeenschapsrechtelijke verblijfsrechten
Eiser, van Egyptische nationaliteit en gehuwd met een Nederlandse Unieburger, werd ongewenst verklaard door verweerder op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eerder is geoordeeld dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is, waardoor uitzetting naar het land van herkomst verboden is.
Eiser verhuisde met zijn gezin naar het Verenigd Koninkrijk, wat een novum vormt dat de bevoegdheid tot ongewenstverklaring opnieuw ter discussie stelt. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de drie door eiser gestelde gemeenschapsrechtelijke verblijfsgronden en niet voldeed aan de onderzoeksplicht. Tevens werd eiser niet gehoord over belangrijke nieuwe informatie van de Britse Immigratie- en Naturalisatiedienst, wat een schending van de hoorplicht inhoudt.
Daarnaast heeft verweerder het verkeerde criterium gehanteerd bij de beoordeling van de openbare-orde-bedreiging en nagelaten het tijdsverloop, het gedrag van eiser en het feit dat eiser van een staatsgevaarlijkelijst is geschrapt, mee te wegen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en beveelt een nieuw besluit met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot ongewenstverklaring wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek en schending van de hoorplicht.