ECLI:NL:RBSGR:2007:BA7497

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
11 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/48361
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.I.H. Fockens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:70 AwbArt. 6:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op vergoeding kosten behandeling bezwaar in mvv-procedure

Eiseres diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel studie in Rotterdam. Na afwijzing van de aanvraag maakte zij bezwaar, waarop de minister uiteindelijk schriftelijk aangaf geen bezwaar meer te maken tegen afgifte van de mvv. Eiseres verzocht vervolgens om vergoeding van kosten voor rechtsbijstand tijdens de bezwaarfase, maar dit verzoek werd afgewezen omdat het niet tijdig was ingediend volgens de wettelijke regeling in artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank oordeelde dat de brief van de minister als beslissing op bezwaar moest worden gezien, ondanks het ontbreken van formele kenmerken van een bezwaarbesluit. Omdat het verzoek om vergoeding pas na deze beslissing werd ingediend, kon het niet worden aangemerkt als een verzoek in de zin van artikel 7:15 Awb Pro. De regeling in dit artikel vormt een exclusief kader voor vergoeding van kosten in bezwaarprocedures, waardoor vergoeding via een zuiver schadebesluit niet mogelijk is.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen of griffierecht te vergoeden. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiseres op vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
Uitspraak
artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 71 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 06/48361
V-nr: 150.108.6492
inzake: [eiseres], geboren op [geboortedatum] 1981, van Surinaamse nationaliteit, wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. G.E. Eind, rechtskundig adviseur te Zoetermeer,
tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.
I. PROCESVERLOOP
1. Op 12 maart 2001 heeft eiseres bij de Nederlandse ambassade te Paramaribo een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel “studie economie aan de Universiteit te Rotterdam”. Bij besluit van 5 juli 2001 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij bezwaarschrift van 21 juli 2001 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van 14 augustus 2001 heeft verweerder de gemachtigde van eiseres bericht geen bezwaar meer te maken tegen afgifte van een mvv.
2. Bij brief van 2 september 2001 heeft eiser verweerder om tot vergoeding over te gaan van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase. Bij besluit van 30 oktober 2001 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Bij bezwaarschrift van 27 november 2001 heeft eiseres daartegen bezwaar gemaakt.
3. Bij beroepschrift van 4 oktober 2006 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar.
4. Bij besluit van 13 oktober 2006 is het bezwaar ongegrond verklaard. Ingevolge artikel 6:20, vierde lid van de Awb wordt het beroep mede geacht te zijn gericht tegen dit besluit.
5. Bij brief van 21 oktober 2006 heeft eiseres het beroep nader gemotiveerd.
6. Bij brieven van 3 december 2006 en 21 december 2006 hebben eiser respectievelijk verweerder toestemming gegeven de zaak zonder zitting af te doen. De rechtbank heeft hierop bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op grond van artikel 8:57 van Pro de Awb gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 28 juni 2006, JV 2006, 245 ambtshalve het volgende.
2. Allereerst stelt de rechtbank vast dat partijen de brief van 14 augustus 2001 kennelijk hebben gezien als de beslissing op bezwaar in de procedure omtrent de mvv. Naar het oordeel van de rechtbank is dit terecht. Verweerder heeft middels deze brief in reactie op het ingediende bezwaar immers schriftelijk aangegeven dat hij heeft besloten geen bezwaar meer te maken tegen afgifte van een mvv aan eiser. Het feit dat de rechtsmiddelenclausule en de overige uiterlijke kenmerken van een beslissing op bezwaar ontbreken doen hieraan niet af.
3. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Nu eiseres het verzoek eerst heeft gedaan nadat was beslist op het bezwaar kan het onderhavige verzoek niet worden gezien als een verzoek in de zin van artikel 7:15 van Pro de Awb.
4. Uit de strekking van artikel 7:15 van Pro de Awb moet worden afgeleid dat de in dit artikel opgenomen regeling een exclusief kader vormt voor vergoeding door het bestuursorgaan van kosten die verband houden met de behandeling van het bezwaar. Voor vergoeding van deze kosten via een verzoek om een zuiver schadebesluit is dan ook geen plaats. Het verzoek van eiseres is reeds hierom terecht afgewezen, zodat de rechtbank het beroep ongegrond zal verklaren.
5. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.
III . BESLISSING
De rechtbank
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 juni 2007 door mr. C.I.H. Fockens, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. drs. E.M. de Buur, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.
De griffier De voorzitter
Afschrift verzonden op:
Conc:EB
Coll:
D:B
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.