ECLI:NL:RBSGR:2007:BA6123

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
23 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07 / 7894 en AWB 07 / 7892
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J.P. Smit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde asielaanvraag wegens ontbreken nieuwe feiten en terugkeer niet aannemelijk

Verzoeker, van Armeense nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder wees deze aanvraag af op grond van artikel 4:6 Awb Pro omdat verzoeker geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd.

Verzoeker stelde in juli 2006 naar Armenië te zijn teruggekeerd, maar kon dit niet documenteren. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker niet aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk was teruggekeerd naar zijn land van herkomst. Volgens jurisprudentie is bij een herhaalde asielaanvraag na terugkeer naar het land van herkomst een nieuw feitencomplex vereist dat los staat van eerdere aanvragen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Partijen konden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er werden geen proceskosten aan partijen toegekend.

Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen omdat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij naar Armenië is teruggekeerd en geen nieuwe feiten heeft aangevoerd.

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Nevenzittingsplaats Haarlem
zaaknummer: AWB 07 / 7894 (voorlopige voorziening)
AWB 07 / 7892 (beroep)
mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2007
in het openbaar uitgesproken door mr. J.P. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H. van Kamperdijk, griffier.
in de zaak van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1986, van Armeense nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Zeist, verzoeker,
gemachtigde: mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem,
tegen:
de staatssecretaris van Justitie,
verweerder,
gemachtigde: mr. C.M. de Koning, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te
’s-Gravenhage.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
Verzoeker heeft op 18 januari 2007 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 20 februari 2007 afgewezen. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en op 20 februari 2007 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb tevens op het beroep beslist, omdat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager ingevolge artikel 4:6 Awb Pro gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 Awb Pro de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 4:6 Awb Pro afgewezen omdat verzoeker geen nieuwe feiten dan wel veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb Pro heeft aangevoerd.
Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat het hier geen herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb Pro betreft. Verzoeker is teruggekeerd naar het land van herkomst en er is sprake van een nieuw asielrelaas. Gemachtigde van verzoeker heeft ter zitting gesteld dat de vraag voorligt of verweerder in redelijkheid de aanvraag heeft kunnen afwijzen op grond van artikel 4:6 Awb Pro.
Indien een vreemdeling na een eerdere asielprocedure stelt naar zijn land van herkomst te zijn teruggekeerd en vervolgens in Nederland een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel indient, is geen sprake van eenzelfde geschil dat ten tweede male aan de rechter wordt voorgelegd, indien de vreemdeling die terugkeer aannemelijk heeft gemaakt en aan de aanvraag een op basis van een in dat land na die terugkeer opgekomen nieuw feitencomplex en een daarop gebaseerd asielrelaas dat een zelfstandig karakter heeft ten opzichte van het relaas dat tot de eerdere afwijzing heeft geleid en derhalve los daarvan beoordeeld dient te worden, ten grondslag heeft gelegd. De vraag of van een dergelijke situatie sprake is, vergt een zelfstandige beoordeling door de rechter. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (AbRS) van 13 mei 2005 (200503208/01, JV 2005, 255).
Verzoeker stelt op een zekere dag in juli 2006 per vliegtuig naar Armenië te zijn teruggekeerd. Het ticket heeft hij bij een kennis achtergelaten, waarvan hij de naam en het adres niet kent. Zijn instapkaart heeft hij bij een vriend achtergelaten. Voor deze reis kreeg hij een reisdocument van de Armeense ambassade te Brussel. Na allerlei problemen in Armenië te hebben ondergaan is hij in augustus 2006 per bus weer uit Armenië vertrokken en naar Frankrijk gereisd.
Verzoeker kan op geen enkele wijze documenteren dat hij daadwerkelijk naar Armenië is teruggekeerd.
De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij teruggekeerd is naar zijn land van herkomst.
De door verzoeker aangevoerde gronden kunnen niet leiden tot de conclusie dat verweerder op onjuiste gronden zijn aanvraag heeft afgewezen.
De voorzieningenrechter zal het beroep dan ook ongegrond verklaren.
Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.
Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.
Waarvan proces-verbaal.
griffier rechter
afschrift verzonden op:
Coll:
Rechtsmiddel
Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.