ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4998
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- H.J. Fehmers
- L. van Es
- W.J. van Bennekom
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ongewenstverklaring en geloofwaardigheid asielrelaas in vreemdelingenrechtelijke procedure
Eiser, toegelaten als vluchteling in 1993 vanwege vrees voor vervolging door Turkse autoriteiten, werd later in Duitsland veroordeeld voor poging tot moord en wapenbezit. Na terugkeer in Nederland werd zijn vluchtelingenstatus ingetrokken en werd hij ongewenst verklaard. De Minister bracht in 2001 en 2004 ambtsberichten uit waaruit bleek dat eiser in Turkije diverse strafrechtelijke veroordelingen had voor commune delicten en niet werd gezocht door Turkse autoriteiten.
De rechtbank overwoog dat de artikelen 32 en 35 van de Vreemdelingenwet 2000 alleen zien op intrekking van verblijfsvergunningen en niet op ongewenstverklaringen. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht een beoordelingskader hanteerde waarbij nieuwe gegevens die aanvankelijk waren achtergehouden, tot afwijzing van de asielaanvraag zouden leiden. Verweerder mocht het relaas van eiser als ongeloofwaardig beschouwen.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was en dat verweerder niet in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel had gehandeld. Het onderzoek van de Minister van Buitenlandse Zaken was zorgvuldig en voldoende onderbouwd. De rechtbank verwierp het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening en oordeelde dat het EVRM artikel 3 geen Pro beletsel vormt voor de ongewenstverklaring en uitzetting van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.