ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4496
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- J.M. Janse van Mantgem
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen ongewenstverklaring op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM
Verzoeker, van Afghaanse nationaliteit, is ongewenst verklaard door verweerder vanwege gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, waarbij hij verantwoordelijk wordt gehouden voor ernstige mensenrechtenschendingen tijdens het communistisch regime in Afghanistan. Verzoeker stelt dat uitzetting hem blootstelt aan een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro, omdat hij door de huidige Afghaanse autoriteiten en de Mujaheddin als tegenstander wordt gezien en geen bescherming geniet van invloedrijke facties of familie.
Verweerder betoogt dat het enkele feit dat verzoeker lid was van de KhAD niet betekent dat hij een persoonlijk en reëel risico loopt op foltering of onmenselijke behandeling, en dat verzoeker onvoldoende concrete feiten heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn vrees. De voorzieningenrechter oordeelt dat de tegenwerpingen in het kader van artikel 1F substantieel zijn en dat verzoeker behoort tot een risicogroep die mogelijk een artikel 3 EVRM Pro-risico loopt, afhankelijk van persoonlijke omstandigheden.
De voorzieningenrechter concludeert dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met individuele omstandigheden en dat niet kan worden uitgesloten dat het oordeel over het ontbreken van een artikel 3 EVRM Pro-risico in heroverweging zal worden verworpen. Gelet op de ernst van de mogelijke schending weegt het belang van verzoeker om niet uitgezet te worden zwaarder dan het belang van verweerder bij uitzetting. Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen, waardoor uitzetting wordt geschorst tot vier weken na beslissing op bezwaar.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de uitzetting van verzoeker wordt geschorst tot vier weken na beslissing op bezwaar.