ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1582

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
12 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
603870\06-83238
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K.R. van der Graaf
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:451 BWArt. 1:452 lid 6 sub a BWArt. 1:453 BWArt. 1:460 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling vergoeding en benoeming mentor voor betrokkene zonder familie

De Stichting verzoekt de rechtbank om een mentorschap in te stellen voor betrokkene, die door zijn geestelijke toestand zijn niet-vermogensrechtelijke belangen niet zelf kan behartigen. Betrokkene heeft geen bloedverwanten of andere geschikte familieleden die als mentor kunnen optreden. De Stichting draagt [mentor] voor als mentor, die bereid is deze functie te aanvaarden en een begroting van €870 per jaar indient.

De rechtbank beoordeelt dat de betrokkene inderdaad niet in staat is zijn belangen zelf waar te nemen en dat [mentor] voldoende gekwalificeerd is om dit op onafhankelijke wijze te doen. De voorgestelde vergoeding van €870 per jaar wordt echter afgewezen, mede omdat de mentor onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de begrote uren noodzakelijk zijn. De rechtbank stelt vast dat een forfaitaire vergoeding van €250 per jaar passend is, inclusief BTW en kosten.

De rechtbank wijst erop dat therapeutische begeleiding door de mentor zelf, zeker indien betaald, niet is toegestaan. Ook benadrukt zij dat overschrijding van de forfaitaire vergoeding alleen in bijzondere gevallen en na voorafgaande schriftelijke goedkeuring mogelijk is. De beschikking wordt gegeven door kantonrechter K.R. van der Graaf en is uitvoerbaar bij voorraad, met mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: Mentorschap ingesteld en mentor benoemd met een forfaitaire vergoeding van €250 per jaar.

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE
Sector kanton - locatie 's-Gravenhage
12 maart 2007
603870\06-83238
Beschikking mentorschap
in de zaak van:
1. De Stichting [X.],
gevestigd te [plaats],
gemachtigde: [...], locatiemanager verpleeghuizen [A.] en [B.],
verzoekster,
2. *
wonende te [plaats],
betrokkene,
niet verschenen
3. [mentor],
wonende te [plaats],
gemachtigde: mr. K.T.B. Salomons
verzoekers,
Partijen worden hierna respectievelijk genoemd (1) De Stichting, (2) de betrokkene en
(3) [mentor].
Procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van het volgende:
- verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 18 december 2006, met bijlagen;
- brief van mr Salomons, gedateerd 2 februari 2007, met de daarin genoemde (zes) bijlagen;
- het verhandelde ter zitting van 8 februari 2007, waarbij voorts nog overgelegd en ter sprake zijn gekomen:
- de aanbeveling, gedateerd november 2004 van de organisatie van maatschappelijk werkers regio Haaglanden, genaamd "Liga";
- de brief van 19 november 2004 van het verzorgingshuis [C.] (zorggroep Florence), alwaar betrokkene verblijft;
- de brief van 14 juni 2005 van de voorzitter van sector kanton van de rechtbank 's-Gravenhage gericht aan [mentor];
- brief van 2 juni 2006 van de griffier van de sector kanton van de rechtbank 's-Gravenhage, gericht aan CAV;
- de aanbevelingen meerderjarigenbewind en mentorschap, vastgesteld door het landelijk overleg kantonrechters (LOK) op 26 april 2004;
- de brief van 22 februari 2007 van de Stichting.
Verzoek
De Stichting verzoekt een mentorschap in te stellen ten behoeve van de betrokkene en zij heeft daartoe [mentor] als mentor voorgedragen.
[mentor] heeft zich bereid verklaard een benoeming tot mentor te aanvaarden en hij heeft een begroting overgelegd van de door hem ter zake in rekening te brengen kosten.
Beoordeling
1. Uit de stukken is aannemelijk geworden, dat de betrokkene als gevolg van zijn geestelijke toestand niet is staat is ten volle zijn niet-vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.
2. De Stichting bevestigt, dat de betrokkene geen bloedverwanten heeft of andere relaties als bedoeld in artikel 1: 451 lid 1 BW, die voor een benoeming als mentor in aanmerking kunnen komen. Voorts stelt zij, dat [mentor] voldoende gekwalificeerd is om op onafhankelijk wijze de betrokkene te vertegenwoordigen met betrekking tot diens zorginhoudelijke belangen.
2. [mentor] begroot de door hem voor het mentorschap in rekening te brengen kosten op € 870,-- per jaar, waarvan € 250,-- voor het zuivere mentoraat en € 620,-- voor begeleiding, één en ander exclusief BTW.
4. Voor vergoedingen van het mentorschap geldt het bepaalde in artikel 1:460 BW Pro en bij de toepassing daarvan worden de aanbevelingen sub 7 en 8 van het hiervoor genoemde rapport van het LOK als uitgangspunten gehanteerd. Deze aanbevelingen houden in een vergoeding van maximaal € 250,-- per jaar in geval een vrijwilliger als mentor is benoemd.
5. Artikel 1: 453 BW bepaalt dat de mentor de betrokkene met betrekking tot diens belangen van niet-vermogensrechtelijke aard vertegenwoordigt. In dat verband wordt van hem verwacht dat hij de betrokkene raad geeft en dat hij waakt over diens belangen. De verlening van therapeutische begeleiding door de mentor zelf is echter, met name indien deze plaatsvindt tegen betaling, strijdig met artikel 1: 452 lid 6 sub a BW, inhoudende, dat een direct betrokken of behandelend hulpverlener niet tot mentor kan worden benoemd.
6. [mentor] stelt dat hij maandelijks een uur besteedt aan begeleiding van de betrokkene en daarenboven maandelijks drie kwartier aan zijn taak als mentor. Hij hanteert daarbij een uurtarief van € 30,--, exclusief BTW. Hij heeft echter onvoldoende aannemelijk gemaakt, dat het aantal door hem begrote uren (29) jaarlijks noodzakelijkerwijs moet worden besteed aan de zuivere vervulling van het mentorschap. Juist is dat een goede vervulling van de functie van mentor meebrengt, dat een vertrouwensband met de betrokkene moet worden opgebouwd en dat zulks extra tijd vergt, met name wanneer de geestelijke capaciteiten van de betrokkene ten gevolge van dementie zeer beperkt zijn. Het ligt echter in de rede, dat de extra tijd vergende opbouw van zo'n vertrouwensband zich enkel voordoet in de beginfase van het mentoraat.
7. Gesteld noch gebleken is dat [mentor] overigens als mentor bijzondere kosten moet maken. Daarbij is van belang dat hij reeds tot mentor is benoemd van een betrekkelijk groot aantal personen in een beperkt aantal tehuizen in de Haagse regio.
8. Ter zitting heeft [mentor] te kennen gegeven, dat de hantering van een forfaitaire vergoeding van kosten en beloning van het mentorschap de voorkeur verdient boven de vaststelling van een beloning per tijdseenheid met vergoeding van werkelijk gemaakte kosten. De kantonrechter onderschrijft dat. De hantering van een forfaitair tarief als uitgangspunt kan de omvang van administratieve handelingen en de daarmee gemoeide kosten aanzienlijk beperken
9. De voorgaande overwegingen leiden tot afwijzing van de door [mentor] ingediende begroting en tot vaststelling van vergoedingen in beginsel ten bedrage van € 250,-- per jaar, inclusief BTW en kosten, met dien verstande, dat voor de maanden maart tot en met december 2007 het volledige jaartarief van € 250,-- (inclusief BTW en kosten) in rekening kan worden gebracht, zulks met het oog op de extra tijd vergende opbouw van een vertrouwensband, als hiervoor in alinea 6 overwogen..
10. Ten overvloede wordt er nog op gewezen, dat bij de indiening van verzoeken tot betaling van vergoedingen de overlegging gewenst is van een bevestiging zijdens het tehuis alwaar de betrokkene verblijft, omtrent de daadwerkelijke periodieke contacten tussen de mentor en de betrokkene en dat overschrijding van de hiervoor genoemde som van € 250,-- per jaar slechts mogelijk is in bijzondere gevallen en na voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de kantonrechter.
Beslissing
De kantonrechter:
stelt een mentorschap in ten behoeve van de betrokkene;
benoemt [mentor] tot mentor;
bepaalt, dat aan de mentor een vergoeding toekomt zoals overwogen in de alinea's 9 en 10 van deze beschikking;
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. K.R. van der Graaf en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2007.
Uit de wet vloeit voort dat deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad is en in stand blijft zolang niet in een eventueel hoger beroep anders is beslist.
Hoger beroep kan worden ingesteld door indiening van een beroepschrift (door een advocaat) ter griffie van het gerechtshof te 's-Gravenhage:
- door de Stichting en door [mentor], binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.