ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1474
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- H.F.M. Hofhuis
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot opschorting overgangstermijn tariefregeling taxivervoer
De Rotterdamse Taxi Centrale RTC N.V. en mede-eisers vorderden in kort geding dat de Staat zou worden verboden de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer, of de daarin opgenomen overgangstermijn, toe te passen tot drie maanden na uitspraak in een bodemprocedure. Zij stelden dat de regeling onrechtmatig is vanwege strijd met de Wet Personenvervoer 2000, algemene bestuursbeginselen en verdragsregels. De regeling introduceert een nieuwe tariefstructuur waarbij het wachttarief is vervallen, wat volgens eisers leidt tot bedrijfseconomische nadelen.
De rechtbank oordeelde dat de civiele rechter slechts kan ingrijpen bij onmiskenbare strijdigheid met hogere regelgeving of algemene rechtsbeginselen, hetgeen hier niet het geval was. De Minister had een ruime beleidsvrijheid bij de regeling en had de belangen van de branche afgewogen. De vordering tot opschorting kon niet worden toegewezen omdat de regeling niet evident onrechtmatig was en de belangenafweging niet aan de rechter was.
De rechtbank wees het verzoek af en veroordeelde eisers in de proceskosten. De uitspraak benadrukt de terughoudendheid van de rechter bij toetsing van algemeen verbindende voorschriften en bevestigt de beleidsvrijheid van de Minister bij regulering van taxitarieven.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot opschorting van de overgangstermijn van de tariefregeling af en veroordeelt eisers in de proceskosten.